Van kop tot teen

Ergens tussen
mijn hoofd en mijn hart
leef jij

Soms klop je op de deur van mijn hart
ik kan niet opendoen
er zit iets in de weg
een gevoel
dat nooit meer overwaait
Soms bonk je in mijn hoofd

Tussen mijn hoofd en mijn hart
zit pal mijn keel
en de krop als ik je zeggen moet
dat mijn hoofd niet breken kan
nog in geen honderd jaar
maar mijn hart
eens te meer

en daarmee gaan de poorten toe
zak jij via de bodem van mijn hart
mee met mijn moed
mijn tenen in.

(*)

26943173_10155978150073766_309334333_n

(*) Op dit moment schrijft Ine van op El Hierro aan een muziektheaterstuk. Regelmatig sneuvelen er stukken tekst, die ze dan achterlaat in de oceaan. Of op dit blog.

Advertenties

Koorddans

2 januari 2018. Een nieuw jaar. Ik zit op het vliegtuig naar Tenerife, met El Hierro als uiteindelijke bestemming. Drie jaar geleden in november was ik daar ook. Vorig jaar in december opnieuw. Telkens met hetzelfde doel: even weg. Ver weg van alles, dichtbij mezelf. Luisteren wat ik hoor als de wereld rond mij zwijgt.

En ja, ook nu. Ook nu zoek ik rust. Ook dit jaar wil ik even mijn Belgische web uit. De draden met het thuisfront doorknippen. Maar er is één groot verschil: ik heb een man aan mij zij. Het is de man die ik bemin met heel mijn hart. Met wie ik van navel tot navel, hart tot hart, hoofd tot hoofd verweven ben. Hij die ziet waar mijn draden spannen, zijn scherpe blik op mijn knopen legt. Mijn lief. Mijn suikerspin.

Dus ja. Hoe moet dat dan. Dat web uit. Weg van alles, behalve van mijn spinnende man. Hoe gaat dat dan. Alleen zijn, én samen. Dichtbij mezelf, én zijn huid rond de mijne. Voldoende ik, en heerlijk veel wij.

Ik ga het ontdekken. Op drie weken tijd. Dit is mijn tocht. Mijn grote queeste. Balanceren op het koord. Dansen met de draden. Het is één grote evenwichtsoefening en dat zal het altijd zijn. Ik kan maar beter de vreugde leren vinden in de oefening. Hier. Nu. Dat is de kunst. En waar leer ik die beter dan op een plek zonder vaste bodem.

2 januari 2018. Op naar El Hierro.

jaaroverzicht

(Collage van 2017)

Beestjes in mijn oren

Er zitten beestjes in mijn oren
-drie vanachter twee van voren-
en net als alles stil wordt
dan laten ze zich horen

Ze fezelen en kwezelen
toeteren en floeteren
wemelen en kemelen
loeteren en ploeteren

Ze sputteren en tutteren
fopperen en mopperen
pufferen en sufferen
hopperen en schopperen

En die beestjes in mijn oren
-acht vanachter vijf van voren-
blazen duizend keer per dag
hoogwroetend van hun toren

Ze gibberen en bibberen
stommelen en bommelen
kibbelen en dribbelen
grommelen en dommelen

Ze blateren en flateren
luiteren en fluiteren
bazelen en razelen
snuiteren en stuiteren

Maar als die beestjes in mijn oren
-twaalf vanachter tien van voren-
zachtjes aan het zingen gaan
dan mag je ze niet storen

Ze engelen en wengelen
loemeren en floemeren
knisperen en wisperen
zoemeren en bloemeren

Ze zingeloren uitverkoren
van faren, reeën en van doren
en dan opnieuw achterstevoren
die wurmen in mijn oren

IMG_20170304_131100_722

Handwerpen

palmen

De man op het plein rilt
omdat de herfst haar kledij van de
bomen schudt
en hij vergeet
dat hij zijn palmen maar te tonen
heeft
om zich te hullen in de warmte
van de stad

Nooit alleen maar zwart of wit.

Ik stap onder de douche, net thuis na een intense dag familieopstellingen. Ik denk na over de woorden die ik vandaag heb meegekregen. Over de raad me te verdiepen in de  MIR-methode, en meerbepaald stap 3.

Over een uur zullen mijn lief en ik restaurant De Rosenobel binnenlopen. Een vrouw zal naar ons toekomen, ons vriendelijk gedag zeggen. Haar blik zal van mijn ogen tot op mijn schouders glijden. Daar zal hij even blijven hangen. “Die sjaal…”, zal ze zeggen, en dan even stokken. “Mijn moeder haakte vroeger van die sjaals!” Ze zal haar armen uitsteken. Met beide handen voorzichtig het gehaakte kledingstuk strelen, het karakteristieke patroon nauwkeurig in zich opnemend. “Goh.” Dan zal het even stil zijn. Haar blik vol gedachten. “Zou dat nu kunnen dat… Amai, da’s raar. Heb je die…” “…in een tweedehandswinkel gekocht”, zal ik haar aanvullen. “In Brussel, wel.” “In Brussel. Ja.” Ze zal verzuchtend knikken. Tranen doorslikken.

Ik kom uit de douche, kleed me aan. Doe de deur achter me dicht, stap op mijn fiets.

Dat het niet de bedoeling was geweest, zal de vrouw nog zeggen. Dat haar moeder vijf jaar geleden is gestorven. Dat het zo’n bijzondere vrouw geweest was. Dat ze twee van haar sjaals altijd bij heeft gehouden. Zwarte. Dat de witte bij de opruim verkeerdelijk terecht moet zijn gekomen, bij de weg-te-geven-spullen. “Oei…,” zal ik zeggen, met een schuldige blik.  “Nee nee,” zal ze me invallen, “hij is van jou nu. En da’s goed.”

Ik kom aan bij het restaurant, iets te vroeg. Zet me op de stoep, wachtend op mijn lief. Denk nog eens na over de woorden die ik vandaag heb meegekregen. Over de MIR-methode, en meebepaald stap 3: loskoppelen van de moeder. Loskoppelen van de moeder.

Mijn lief parkeert z’n fiets, loopt naar me toe. Samen stappen we het restaurant binnen. Een vrouw komt naar ons toe, zegt ons vriendelijk gedag. Over tien minuten zal ze ons een fles bruiswater brengen. Samen met vijf woorden.

“Koester ze maar, je moeder.”

23336531_10155791204573766_1798027767_o