De Wenduinse leeuw: in de eb van zijn bestaan.

“Ze is op prospectie!” Er staat iemand aan haar bloemenwinkel, met een emmertje schelpjes. Ze is er niet. Haar vijfjarige lijfje vliegt als een bijtje over het strand. Van bloem naar bloem. Wij kunnen niet veel doen, kennen haar prijzen niet. Als poezen liggen we te spinnen, op een handdoek of een stoel. Haar tantes, haar mama, haar oma. Zuinig met bewegingen, gulzig met de zon.

Twintig jaar geleden vloog ik ook over dit strand. Niet als bijtje, maar als leeuw. In een kudde van wel twintig man. We kwamen van Antwerpen en Gent, West-Vlaanderen en Brussel. Wij speelden voetbal op ’t hard zand, om tien uur ’s ochtends. Buskestamp om acht uur ’s avonds. Wij schupten geen winkels, wij bouwden hele dorpen. Wij waren de koningen van de kust. Elk jaar opnieuw.

“Oké, niet erg!” De klanten druipen af. “We komen later wel weer terug.” Maak dat deze poezen wijs. Waar blijft ons bijtje toch? ‘t Wordt tijd dat ze leert wat concurrentie is. Ah, daar komt ze aangevlogen. Wat schelpen armer, wat crêpepapier rijker. En daar is haar volgende klant al. “Hoeveel couteaukes is die bloem?” Hoeveel wàt?! Het bijtje heeft geen weet van andere valuta. “Die is vijf HANDJES.” Handjes, ja. Dat is hier Knokke niet hè seg.

Nee, dat is hier Wenduine. Waar je in ’t donker van het gebouw van het Rode Kruis afspringt. Waar je stiekeme kilo’s snoep koopt, en dan “De Mol” speelt in de duinen. Waar je ruiltocht doet in ’t dorp, als “plaatselijke scouts”. Waar je fikfakt en brult, en om ter meeste wondes hebt. Waar binnen blijven niet bestaat, tenzij om met de lift te spelen. Dat is Wenduine. Dat wás Wenduine. Ons Wenduine.

“Ik denk… dat we voor kokkels moeten gaan.” Oma kijkt op van haar haakpen. “Dat met die handjes, da’s maar niks. Dat is vaak drie kwart zand en één kwart schelpjes. En de couteaukes worden schaars. Maar kókkels…. De vloedlijn ligt er vol van.” We kauwen het idee. Ik luister naar ons ronken. Over koetjes en kalfjes, couteaukes en kokkels. En dan schiet ik plots wakker. Ik kijk naar mijn handen: zo klauwloos als iets. Naar het strand, geregeerd door de bloemetjes en de bijtjes. Dat het zover is kunnen komen. In mijn Wenduine.

Ik zou moeten roepen, ter wederopstanding van de leeuw. Ik zou moeten brullen. Tot de bloemen van hun stokje gaan, de schelpen weer de zee in rennen. Tot de couteaukes in troep terug naar Knokke keren. Tot de bijtjes zich van schrik in hun nectar verslikken. Ja! Ik moet schreeuwen! Het strand is aan de leeuwen, het strand is aan de leeuwen!

Dat zou ik moeten doen.

Maar ach, ik lig niet slecht, getemd op mijn stoel. Tussen mama poes, oma poes en tante poes. Alles heeft zijn tijd, toch? Waar de bij hoogtij viert, trekt de leeuw zich terug. Dus laat ze maar komen, met hun schelpjes en hun handjes en hun vragende blikken. Ik hou mezelf wel koest. Ik zal niet brullen, nee. Hoogstens eens miauwen:

“Voor deze mokkels: vijf kokkels!”

de-eb-van-de-leeuw4

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

w

Verbinden met %s