An (in)finite loop

31 oktober, 7u ’s ochtends. Ik droom je. We lopen bladerend door de herfst. Het lijkt alsof je terug bent, maar ik vergeten ben van waar. Ik vraag je hoe het met je gaat. “Goed”, zeg je. Je glimlacht.

“Hij was een super goeie gast, maar deze aardbol draaide te snel voor hem”. Dat was je laatste diagnose, gesteld door een vriend. Ze priemde door het scherm van mijn smartphone. Exact één jaar geleden. Ik vroeg je waarom je in mijn leven was gedoken, om net daarna abrupt te verdwijnen.

De zon schijnt. Alles is simpel. Er is een trouwfeest om de hoek. Ik moet erheen maar doe het niet. Jij bent hier en het is zo lang geleden. Ik vraag je hoe het met je gaat. “Goed goed”, zeg je.

Ik dacht veel na sinds toen. Want stel nu dat het niet zo was. Van die aardbol. Stel nu dat zij die in de kantlijn staan, net buiten het systeem, daar niet staan omdat ze niet meekunnen met de rest. Stel nu dat ze snéller zijn. Dat ze kilometers vooroplopen, en meer zagen dan wij. Dat ze niet puffend hebben afgehaakt, maar wachten tot wij bij zijn. Dat ze hopen dat wij het ook zullen zien: de wedren zonder einde. Het lopen om het lopen zelf. Stel je voor. En wij maar proberen om hen mee in onze pas te trekken.

Ik vraag je hoe het met je gaat. Maar écht. “Goed. Heel goed.” Je zegt het met een rust die pure eerlijkheid verraadt. Dan lopen we een supermarkt in. Jij scheurt verpakkingen open. Eet snoepjes op in alle kleuren. Stopt er enkele in je zak, zonder te betalen.

Hoe eenzaam moet dat zijn. Dat je de mensen als gekken door een molen ziet lopen, voortdurend elkaars geluk afschermend. Dat je erbij staat, ernaar kijkt en er niets aan kan doen. Dat zij joú raar vinden, omdat je niet plooit. Want dat is wat zij doen. Plooien. Gevormd door de angsten van een ander, verblind door projecties van de massa. Ze dansen naar de pijpen van bloedzuigende bazen. Vechten tegen een lichaam dat schreeuwt om rust. Zwijgen wanneer er gesproken moet worden, spreken wanneer er geluisterd moet worden.

Ik wil naar buiten. Kan niet weg. Er staan twee vrouwen voor de schuifdeur aan de uitgang van de winkel. Eentje houdt een pistool op mij gericht. Ze schiet, recht langs mijn hoofd. Ik ben doodsbang, maar ze laat me gaan. Binnen raast paniek.

Stel je voor. Dat ze hun angsten en excuses voorgoed zouden doorprikken. Dat ze de tralies zouden zien die hen binnen het systeem houdt. Stel dat ze massaal hun slachtofferrol naast zich neer zouden leggen. Fuck you zouden doen naar zelfzuchtige bazen. In bed zouden kruipen als hun lijf daarom vroeg. Misdadigers van hun voetstuk zouden schoppen. Hun leven in eigen hand zouden nemen. Oh nee, god nee. Ze zouden maar eens gelukkig moeten worden. Lafaards. Mijn vrienden, mijn naasten. ’t Zijn godverdomme allemaal lafaards.

Buiten vrees ik dat ik je nooit meer zal zien. Dat de vrouwen het snoep in je zakken zullen vinden. Dat hun schot je niet zal missen.

Ik vroeg je waarom je in mijn leven was gedoken, om net erna abrupt te verdwijnen. Maand na maand bleef je me antwoorden sturen. Je leerde me om boos te zijn. Om mijn verlamming via woede van mijn lijf te schudden. Door jou heb ik mijn kracht ontdekt. Een explosieve bom die mij ’s ochtends uit mijn bed knalt. Een storm die mijn leven vooruit stuwt. Nooit was ik zo razend. Nooit zo gedreven.

Mijn blik is stevig op de schuifdeur gericht. Af en toe loopt er bedrukt iemand naar buiten. En dan ben jij daar plots. Je loopt rustig door de deur. Niet de schuifdeur waar ik angstig mijn blik op gefixeerd had. Die andere deur, een meter ernaast. Een deur die wagenwijd openstaat. Voor iedereen die ze ziet.

Nooit zo vrij.

aninfiniteloop2

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

w

Verbinden met %s