ONZE POSTKAARTEN ZIJN ER!

Lieve volgers,

Vanaf vandaag kan je bij ons de enige echte Cafeine-postkaarten bestellen, en wel hier. Acht kaarten om vrienden en familie zachtjes mee te verwarmen….

Alvast fijne feesten gewenst en tot blogs!

Liefs,

Jasper & Ine

Deze slideshow heeft JavaScript nodig.

Advertenties

Handwerpen

palmen

De man op het plein rilt
omdat de herfst haar kledij van de
bomen schudt
en hij vergeet
dat hij zijn palmen maar te tonen
heeft
om zich te hullen in de warmte
van de stad

Nooit alleen maar zwart of wit.

Ik stap onder de douche, net thuis na een intense dag familieopstellingen. Ik denk na over de woorden die ik vandaag heb meegekregen. Over de raad me te verdiepen in de  MIR-methode, en meerbepaald stap 3.

Over een uur zullen mijn lief en ik restaurant De Rosenobel binnenlopen. Een vrouw zal naar ons toekomen, ons vriendelijk gedag zeggen. Haar blik zal van mijn ogen tot op mijn schouders glijden. Daar zal hij even blijven hangen. “Die sjaal…”, zal ze zeggen, en dan even stokken. “Mijn moeder haakte vroeger van die sjaals!” Ze zal haar armen uitsteken. Met beide handen voorzichtig het gehaakte kledingstuk strelen, het karakteristieke patroon nauwkeurig in zich opnemend. “Goh.” Dan zal het even stil zijn. Haar blik vol gedachten. “Zou dat nu kunnen dat… Amai, da’s raar. Heb je die…” “…in een tweedehandswinkel gekocht”, zal ik haar aanvullen. “In Brussel, wel.” “In Brussel. Ja.” Ze zal verzuchtend knikken. Tranen doorslikken.

Ik kom uit de douche, kleed me aan. Doe de deur achter me dicht, stap op mijn fiets.

Dat het niet de bedoeling was geweest, zal de vrouw nog zeggen. Dat haar moeder vijf jaar geleden is gestorven. Dat het zo’n bijzondere vrouw geweest was. Dat ze twee van haar sjaals altijd bij heeft gehouden. Zwarte. Dat de witte bij de opruim verkeerdelijk terecht moet zijn gekomen, bij de weg-te-geven-spullen. “Oei…,” zal ik zeggen, met een schuldige blik.  “Nee nee,” zal ze me invallen, “hij is van jou nu. En da’s goed.”

Ik kom aan bij het restaurant, iets te vroeg. Zet me op de stoep, wachtend op mijn lief. Denk nog eens na over de woorden die ik vandaag heb meegekregen. Over de MIR-methode, en meebepaald stap 3: loskoppelen van de moeder. Loskoppelen van de moeder.

Mijn lief parkeert z’n fiets, loopt naar me toe. Samen stappen we het restaurant binnen. Een vrouw komt naar ons toe, zegt ons vriendelijk gedag. Over tien minuten zal ze ons een fles bruiswater brengen. Samen met vijf woorden.

“Koester ze maar, je moeder.”

23336531_10155791204573766_1798027767_o

Proloog van het Ongeschrevene

“Katrien”, dacht mijn moeder.
“Ine”, zei mijn vader.
Mijn vader heeft mijn naam gekozen.

Ik heb altijd al krukken gewild.
Been in de gips.
Een hoek eraf.
Voet stuk.
Op een voetstuk.
Iemand willen zijn.
“Kijk”, zouden ze zeggen,
“die heeft iets!”

Ik heb iets.
Geen krukken, geen plaaster,
niet eens een pleister.
Een grote zwarte bal
kolkend in mijn lijf.

Ik kan alleen nog maar
mezelf te pletter schrijven.
Met letters de brokstukken m’n ziel uit stuwen
het is alles wat ik kan doen om
in leven te blijven.

Zul je luisteren, mijn lief?
Ik zal je vertellen
wat nooit is gezegd
Je mag me zien.
Je moet me zien.
Voor ik mezelf
mijn graf in vecht.
Het is mijn plicht
jouw recht.

Zul je van me houden, mijn lief,
ook na deze woorden?
Hou van me.
Beloof me dat je van me houdt.
Dan zal ik je vertellen.
Alles wat ik niet kon zeggen
niet kon uiten.

Ine.
Mijn vader heeft mijn naam gekozen.

proloog

Tot ik zwart zie.

xxxxxxxxxxDat ik boos ben, en bang.
xxxxxxxxxxDat ik verdomme niets meer weet.
xxxxxxxxxxDat ik klein ben, maar ook groot.
xxxxxxxxxxDat je zaagt.
xxxxxxxxxxDat ik vrij wil.
xxxxxxxxxxDat het gras niet groener wordt en
xxxxxxxxxxdat morgen niet bestaat.

Ik wil roepen. Tot ik zwart zie. Tot mijn lijf scheurt, mijn hoofd breekt. Roepen tot de nacht in sterren uit elkaar spat. Ik wil elke alinea uit mijn vel doen springen. Elk woord naar buiten braken. Elke letter doen ontsnappen langs de poort van mijn keel. Schreeuwen en brullen, dwars door alles heen.

xxxxxxxxxxDat jij niet ziet
xxxxxxxxxxwie ik kan zijn.
xxxxxxxxxxDat je door muren heen mag breken
xxxxxxxxxxmaar niet voorbij mijn grens.
xxxxxxxxxxDat samen alles beter gaat.
xxxxxxxxxxDat ik het niet voor jou kan doen.
xxxxxxxxxxDat ik de allerbeste ben
xxxxxxxxxxen jij gewoon een zwijn
xxxxxxxxxxkonijn
xxxxxxxxxxolifant
xxxxxxxxxxpipi.

Ik roep niet. Want van elk kwaad woord, heb ik al spijt voor ik het denk. Mijn hoofd is sneller dan mijn buik. Mijn godverdomse hoofd weet altijd alles beter. Dat jij mijn prooi niet bent –blabla. Mijn kogels niet voor jou zijn. Dat het de pijn is die ik doden moet. De diepste, oude pijn van ongezien te zijn.

En toch wil ik verdomme ROEPEN. Roepen tot ik zwart zie. Mijn lijf scheurt, mijn hoofd breekt. Schreeuwen en brullen, dwars door alles heen. Luide tonen, harde tonen. Tonen dat ook ik besta. En ook

xxxxxxxxxxdat jij de beste bent
xxxxxxxxxxen ik gewoon een zwijn
xxxxxxxxxxkonijn
xxxxxxxxxxolifant
xxxxxxxxxxpipi

hihi.

ROEPEN