“Nooduitgang gezocht” – het begin van een heldentocht.

Hallo? Hállo? Mag ik even jullie aandacht? HALLOOO? Kan iemand mij zeggen waar de uitgang is? IEMAND? Nee?

De uitgang. Ik loop er al jaren op te zoeken. Tussen mijn hersens, langs mijn keel, via mijn hart, door mijn buik. Tot helemaal in mijn tenen. Ik draai cirkeltjes in mijn lijf en ik kom er niet uit. Wie zou ik toch zijn buiten mezelf? Als ik mijn eigen uitgang had ontdekt? Kan ik hem bedenken, hem uittekenen en er dan doorheen stappen? Zou het zo simpel kunnen zijn?

Ik ben op tocht geweest. Ik heb het gevraagd aan iedereen die ik tegenkwam. Eerst bleef ik een tijdje in mijn hoofd hangen, maar daar liep ik tegen muren. Het enige antwoord dat ik kreeg, kwam van mijn eigen echo. “Waar is de uitgang?”, vroeg ik. “Waar is de uitgang?” antwoordde ik. En dan luider: “WAAR IS DE UITGANG?”, vroeg ik. “WAAR IS DE UITGANG?”, antwoordde ik. Tot op een dag de muren braken onder al dat geroep. Ik schopte stenen en brokken geschiedenis opzij, slikte mezelf in –nadat ik eerst enkele maanden op mezelf had zitten kauwen- en schoof zo in de richting van mijn hart. Daar was alles warm en zoet. Er zat een vrouwtje aan de kachel met thee en koekjes en ik ging aan haar knieën tegen de schommelstoel zitten, mee naar het vuur kijkend. Het was er zo goed dat ik bijna vergat wat ik zocht. Maar goed gaat ook vervelen. Dus nadat ik weken wat moed van het tapijt had geplukt, vroeg ik het haar: “Waar is de uitgang?”. Ze glimlachte en antwoordde zacht:

“Alles komt altijd goed.”

Het was niet eens een antwoord. Het was een stelling waar ik niets aan had, die me geen millimeter dichter richting uitgang duwde. Ik wilde niet dat alles altijd goed kwam want alles wás al goed en goed gaat ook vervelen. Dus ik vertrok. Ik had wat te verteren dus schoof verder richting buik. Zo kwam ik bij mijn lever terecht, alleen wist ik dat nog niet. Er lag van alles op. Een hele stapel woorden. Woeste woorden van “IK HAAT JE” en “IK BESTA WÉL” en “STOMME STOMME EGOÏST”. Als een toren lagen ze op elkaar en blokkeerden ze de weg. Wilde ik verder, moest ik iets met die woorden zien te doen. Eerst dacht ik ze op te eten, maar dat deed ik al eens eerder en dat had toen geen succes. Ik moest en zou ze naar buiten krijgen, dat was de enige weg. Maar ja. Ik wist niet waar de uitgang zat. En aan mijn lever iets vragen, bleek dus ook geen optie. Zo zat ik vast. Jaren en jaren. Geklemd tussen gegiste woorden. Met de tijd waren ze rijper en bitterder geworden. En bijtend, bijtend zuur. Wat moest ik? Ik kon nog maar één kant uit: terug vanwaar ik kwam. Het vrouwtje in mijn hart. Maar ik wist al wat haar raad zou zijn. Vier woorden.

“Alles komt altijd goed.”

Tja. Het moest dan maar.

deuitgang.jpg

Advertenties

De blues van oma

De blouse van oma is blauw. Daarom is het een blue-se. Ze mag geen andere kleuren want dan klopt het woord niet meer. Een roze blouse zou een “rose” worden, maar dat is al het woord voor een bloem. En een bloem is geen blouse.

Mijn oma is een gekke vrouw. Ze denkt in hokjes. Als er koekjes op tafel staan mag je een koekje maar als de koekjes in de kast staan mag je geen koekje. Soms neemt ze de koekendoos uit de kast terwijl ze vraagt of ik een koekje wil. Dan ren ik naar haar toe om een koekje uit de doos te grissen, maar dan kijkt ze me heel boos aan, geeft een tik op mijn vinger en loopt door naar de tafel. Pas als de doos op tafel staat, mag je een koekje nemen.

Soms komt oma bij ons thuis. Dan vraag ik of zij een koekje wil. En dan zet ik expres de koekendoos niet op tafel, maar hou ik hem in mijn hand. Ik breng hem zelfs helemaal tot vlak onder haar neus zodat ze zeker zou ruiken hoe lekker de koekjes zijn en ze niet anders kan dan er eentje te nemen. Maar nee. Dan kijkt ze heel bezorgd van de koekjes naar de tafel terwijl ik met de doos onder haar neus blijf vragen of ze een koekje wil en zij gekweld van ja blijft knikken. Want natuurlijk wil ze een koekje. Niemand wil zo graag koekjes als kinderen en oma’s. Ik begrijp maar al te goed hoe hard ze wil. En net daarom is het grappig. Mama vindt het niet grappig. Zij neemt de doos uit mijn handen, zet ‘m op tafel en verlost oma uit haar lijden.

Ik heb oma wel eens gevraagd of ze denkt dat koekjes in de kast of in je hand of in de winkel giftig zijn maar toen antwoordde ze met een lege blik.

Oma is een beetje raar. Ze draagt een blauwe blouse. Elke dag opnieuw. Ze heeft de blauwe blousenziekte. Zo heb ik het genoemd. Die lieve gekke koekjesoma. Het is niet makkelijk voor haar. Ze loopt vaak te zuchten. Te denken. Soms zelfs te huilen. Ze vindt de wereld “vol”, zegt ze. “Vol en veel”. Ze doet heel erg haar best om de wereld wat minder te maken. Dat ziet ze als haar taak. Enkel blauwe blouses. Enkel koekjes als ze op de tafel staan. Enkel worteltjes als er ook erwtjes bij zijn. Enkel post lezen op dinsdag en donderdag. Ze maakt het leven minder. Minder vol. En heel erg ingewikkeld. Als ik bij oma ben, wil ik alleen maar een koekje. Van koekjes word ik rustig. Oma ook. Zolang ze maar op tafel staan.

Mijn oma heeft de blouse. En later, als ik groot ben, ga ik er een liedje over schrijven. De blauwe blouse. De blouse van oma.

debluesvanoma

En nu ga ik

En nu ga ik, mama.

Ik heb mijn rugzak al gepakt. Natuurlijk zit erin wat jij erin zou stoppen, maar ik deed het zelf, goed hè? Met een brooddoos met een koekje voor als alles op is en een doekje voor mijn pootjes als het kleeft. En fruit want dat is goed voor mij, goed van mij he mama. En een trui voor als ik koud ben en een klein beetje papier zodat ik schrijven kan van groetjes daar, ik mis je maar het is wel goed. Goed hè mama? Ben je trots?

Zo, nu ga ik echt.

Ik zal je zeggen hoe het moet: jij zegt dat het tijd is nu. Dat ik al groot en flink. Ons nestje te klein en de wereld zo groot. Dat je me vleugels hebt gegeven, dat het goed is, dat ik moet.  En dat jij blijft. Ik huil dan en jij zalft. Ik klamp me vast jij trekt je los, je zegt dat ik er klaar voor ben. Je zegt: het is echt goed. Misschien een beetje triest, maar goed. Ja, dat zeg je me.

Wat zeg je me? Ik hoor je niet, wat doe je nu mama? Hoor ik dat je van me houdt en je me missen zal, dat je een beetje zus en zo, of ik het wel, dat je niet weet, of het dan wel of niet… Wat kijk je mama? Huil je nu? Je mag niet, nee, niet zeggen dat je van me houdt… Niet nu. Wat doe je nu? Nee, ook niet op een briefje, niet onderin mijn tas verstopt. Wat moet ik daar dan mee? Oh lieve, lieve, mama. Besef je wel hoeveel dat weegt? Begrijp je wel? Dat jij niet in mijn rugzakje, dat ik echt ver moet vliegen? Ik kan jou toch niet dragen, ik kan toch niet bij elke slag jij drukkend op mijn schouder? Jij weet toch dat, jij blijft toch hier, dat zei je toch? Het tijd is voor mij nu? Ons nest te klein en ik al groot? Dat heb je me verteld toch net? Dat van die vleugeltjes, dat ik het kan? Dat heb ik toch gehoord?! Dat jij al lang genoeg voor mij dat jij te lang voor mij! Je moest het me vertellen!

Ik zal het je vertellen! En nee, niet met een kopje thee, gezellig, jij met ons getwee, er heerlijk bij gaan zitten. Ik zal je zeggen hoe het zit. Ik zeg je dat ik ga omdat het moet. Omdat het nest te klein, omdat ik op jouw eieren loop die strakjes zullen breken. En dat jij dan je poten snijdt maar fluistert dat het goed is, omdat het voor jou altijd goed is. Kan jij wel eens bóós zijn, ja?! Kan jij ook eens normáál misschien?! Ik zal je pikken tot je breekt en nog en nog maar nog en nog zal je het pikken. Ik zal je krijsen totdat en spuwen totdat en schudden totdat en slaan totdat…

Dat ik dus nu maar ga, mama. Ik ga dan dus. Dat ik ga. Daag.

en-nu-ga-ik-mama

Mijn eerste spreekbeurt

Naam: roosje
Klas: 2B
Taak: psreekbeurt


hallo. ik ben roosje en mijn spreekbeurt gaat over doot zijn. ik ga over een paar maanden mischien doot denkt de dokter en sommige kinderen weten niet wat dat betekent. strakjes wel. alee dat denk ik toch.

als je doot bent gegaan dan is er iets gebeurt. ofwel heb je een ziekte gekregen, ofwel heb je honger gekregen, ofwel heeft iemand je dootgeschoten, ofwel ben je heel oud, ofwel heb je heel veel verdriet, ofwel heb je te hart gelachen ofwel heb je je te hart geverveeld.

eerst kunnen mensen komen kijken hoe je er uit ziet als je dootgaat. dan ben je een muzeum, maar mensen moeten geen tikets kopen, omdat iedereen die komt kijken van je hout en dus hebben ze allemaal vrijkaartjes. je hebt dan je mooiste kleren aan, degene die jij wil. jij bent doot, dus jij mag kiezen. zoals wanneer je jarig bent. doot en jarig is een beetje hetzelfde. als je leeft dan gaan mensen elk jaar over je leven praten en herineringen ophalen op je verjaardag. als je bent dootgegaan dan gaan ze dat doen op je dootsdag. er is wel een verschil: iedereen kent heel goed zijn verjaardag, maar zijn dootsdag kent niemand.

als alle mensen jouw muzeumtje bezocht hebben en jouw gezien hebben als je doot bent, dan sluit het muzeum. ze kunnen het muzeum niet open houden omdat mensen die doot zijn hard gaan stinken. dat is niet door scheetjes, want scheetjes krijg je enkel als je ajeunen en bonen eet en dat lusten doden niet. doden stinken omdat je je niet meer kunt wassen als je doot bent.

als het muzeum gesloten is, dan gaat de kerk open. en dan lig jij in het midden van de kerk en mag iedereen afscheid nemen, nu voor echt. dat heet een begrafemis. het stinkt er een beetje raar soms. de mensen gaan dan liedjes luisteren en huilen en over je vertellen. ze zeggen alleen maar goede dingen over je. niet dat je snoepjes hebt gepikt of dat je je huiswerk niet gemaakt hebt en ook niet dat je geklikt hebt. ze zeggen hoe leuk en lief en grappig ze je vinden. dat doen ze niet als je nog leeft. dat is omdat je anders een dikke nek krijgt en dan niet meer in de kist past. want aanja, als je dootgaat krijg je een kist. dat dient als bed, maar dan eentje waar je niet uit kan vallen. het is een kist omdat ze je na de begrafemis in de grond gaan steken en als je in een kist ligt komt het zand niet bij je. sommige mensen gaan niet in een kist, maar daar maken ze as van. hoe doen ze dat? ze verbranden je. dat klinkt eng maar je voelt het niet meer. en dan pas je in een potje. als je altijd al eens in een potje wilde passen dat kan dus als je doot bent. zo. en als je dan in die kist ligt, of in dat potje zit, dan is het gedaan. dan ben je voorbij.

en nu is mijn spreekbeurt voorbij. maar niet doot.

dankjewel voor jullie aandacht!

begrmuzkerk

Erfenis

Ik zit in de kerk. Ik huil. Een man is dood.

Het is koud en mijn armen doen pijn. Een vriendin had me aangeboden me op te halen, maar met een dankjewel had ik haar van me afgewimpeld. Ik wilde alleen zijn. De tocht naar de kerk viel me zwaarder dan gedacht en voor even had ik de haat om die rolstoel weer gevoeld. Voor even had ik weer beseft dat benen gemaakt zijn om te lopen, niet om je handen op te rusten te leggen nadat ze tientallen minuten je lichaam hebben voortgeduwd. De haat was gaan liggen zodra ik de kerk was binnengerold. Ik leef dan wel zittend, ik leef. De man in de kist vooraan niet meer. Hij was al een tijd uit mijn beeld verdwenen. Het was de vader van de vrouw vooraan. De vrouw met de lange hals, de hals die nog langer lijkt nu ze haar hoofd op haar borst laat rusten. Haar mond fluistert haar hart troostrijke woorden toe, althans zo lijkt het vanaf hier. Ooit was ik het die de woorden fluisterde. Ooit was ik het die haar lange hals nog langer maakte, gewoon door ernaar te kijken. Nog steeds ken ik de smaak van haar nek. Zoetig, zonder sporen van parfum. Die droeg ze niet, omdat de natuur haar werk moest doen. Haar eigen geur moest de juiste man lokken. Was ik de juiste man voor haar? Nee, dat was ik niet. Nooit had ik het beeld van haar vader geëvenaard. Die was sterk en stoer, onschendbaar. Ik was niet onschendbaar. Ik was zoals de auto van haar vader: geblutst en onbruikbaar. Ik weet nog hoe ze naar me keek, daar in het ziekenhuis. De teleurstelling -of was het walging?- omdat ik de auto van haar vader perte total gereden had. Wist ze al dat ik nooit meer zou lopen? Wist ze het al, toen ze mijn koffers naar het ziekenhuis bracht? Wist ze al van het kind dat in haar buik groeide? Het kind. Mijn dochter. Is zij het, die naast haar zit? Is zij het wiens hand op haar schoot rust? Is dit mijn dochter? Dit is mijn dochter. Ik zie haar. Ze groeit, alsof het niets is. Ik zie haar. Mijn dochter.

Ik zit in de kerk. De man die ik moest worden is dood, die vrouw die ik moest beminnen in rouw. Ik huil. Niet om hen. Ik huil om mijn dochter. Een groot geluk de wereld te hebben geschonken wat niemand me ooit dierf toe te schrijven.

indekerk
Naar Amadeo Modigliani

 

De kater komt

ik heb gedanst op de aarde
samen met miljoenen
in een klaterend gelag
een roes van beats
miljarden per minuut
ik heb gesprongen en ik sprong
met een pil tegen de pijn
ik kreeg een regenboog cadeau

en de aarde maar loeien
en wij maar dansen, haar sirene
ons geweten verdunnend met bier
tot de scheuren in ons hoofd
stilte braakten
daar waar stilte niet bestond
niet eens een naam had
zelfs geen woord was

in mijn been bonkt nu de slaap
in boter zal ik rusten
terwijl zij zullen ontwaken
het licht aandoen
dat wij hebben gedoofd
met stoffers en blik
en heel veel water
redden wat er te redden valt

maar nooit genoeg water
om deze brand te blussen
nooit genoeg meer
om de aarde te lessen
leep lieten wij hen
-gelukkig- onze tranen
ze zijn nog te jong
om niet te kunnen huilen

met die laffe hoop
raap ik mijn blikken bij elkaar
en ga
met mijn verzuurde lijf
mijn houdbaarheid voorbij

laos4

Assepoester v2 – 2016

Schoentjes gepast, vloeren gepoetst, bossen beschilderd, op tanden gebeten, insecten gevoed, honing geproefd, schurken gevloerd, pennen gelikt, wortels getemd, trommels getroond.

Ze had alles geprobeerd om iemand te zijn. Er was niets meer over. De lijst was af. Ze wist niet waar te beginnen nu ze het einde had gehad. Alle wegen leidden haar tegen en haar benen hielden voet bij stuk. Ze wilde dat ze ergens naartoe werd gezogen, of er van weggetrokken misschien, maar geen enkele kracht keek naar haar om. Ze kwam geen zandkorrel vooruit.

Alle tijd, die had ze. Dus ging ze denken, ging ze kauwen. Tot haar haar grijs was en haar tandvlees blauw. Tot ze verdwaald was in een doolhof van muren die ze zelf gebouwd had. Met het boetseren van haar brein had ze zichzelf ingemetseld. Nu moest ze uit zien te breken. “Een plattegrond!”, droomde ze even. Maar ze wist dat de aarde rond was en in sprookjes geloofde ze niet. Ook een kompas zou haar niet helpen want de wind was gaan liggen en de zon met het noorderlicht vertrokken. Er was dus maar één weg: álle wegen door. Elk pad begaan, van boom tot boom, wolk tot wolk, schurk tot schurk. Op haar stappen letten. En niet vergeten waar ze geweest was. Nooit vergeten waar ze geweest was. Dan moést ze er wel komen. Daar bij de rand, op de grens van een bestaan dat ze probeerde te vermoeden.

Het ging van lopen over huppelen naar strompelen tot kruipen. Nu ben ik er geweest, dacht ze. Overal was ze geweest. De wirwar van wegen: alles had ze uitgekamd. Elk pad had ze belopen, elk kruispunt overdacht. Wikken en wegen, schudden en schoppen, niets had haar een uitweg getoond.

Ze moest het vergeten. Alles vergeten. Niet meer kauwen, niet meer denken. Geen uitgang zoeken, niets meer willen, niemand zijn. Wel lopen, blijven lopen. Dat was haar nieuwe plannetje. Bewegen. Platgetreden paden begaan. Opnieuw en opnieuw. Tot ze door de grond zou zakken. Ze moest zo vaak dezelfde paden bewandelen dat ze zouden breken onder haar gewicht. Dan zou ze vallen, uit haar hoofd. Dat was het enige wat haar te doen stond. Vallen. Wie weet zelfs uit haar lijf. Kon dat? Kon ze iemand zijn buíten zichzelf? Ze popelde.

Insecten gevoed, schurken gevloerd, trommels getroond.
Ze had alles geprobeerd om iemand te zijn.
Maar probeer maar eens te vallen.

assepoesterdef