EXTRA: #throwback28

Afgelopen weekend werd Ine 30. Net wat ze wou.
Bij wijze van traktatie, eentje uit de “oude” doos:



Achtentwintig.
(12-08-2015)

Dat is vier keer zeven, zeggen de tafels. Dat is precies wat ik nu ben, zeg ik. Het zit me als gegoten. Mijn mond en mijn benen, mijn tenen, mijn vingers: allen zijn ze achtentwintig. Mijn buik, die wel eens navelstaart en waar vlinders te snel sterven. Mijn ogen, vaak gesloten. Mijn keel, die ik moet openzetten opdat de dingen van mijn hart naar mijn hoofd zouden stromen. Dat moet ik nog leren.

Zeven keer vier, zeggen de tafels. Meer dan wat ik had, zeg ik. En minder. Ik heb een hoop gewonnen: geloof in dingen, spullen, mensen. Ik heb ook veel verloren: geloof in dingen, spullen, mensen. Er is alles wat ik in mijn handen hou omdat er al te veel van tussen mijn vingers is geglipt. Handen die ik tot vuisten sluit om op de tafel van potverdekke te slaan. Ik hou ze beter op een kier. Dat moet ik nog leren.

Ik pas al lang niet meer aan de tafel van twee. Ik ben gegroeid tot ik volgroeid was en toen groeide ik nog voller. Nu groei ik uit mezelf, van tijd tot tijd. Of uit elkaar, met anderen. En soms ben ik té groot. Dan hoef ik iemand groter die me zegt wat ik niet mag. En dat ik dan luister. Soms ben ik te klein. Dan hoef ik iemand kleiner die me toont hoe groot de wereld is. En dat ik dan kijk. Ik ben reuzig én peuterig. Stoer en slap. Lieflijk en schofterig. Mijmerend en vlak. Veel en weinig. Ik ben altijd met twee. Gezellig, maar dat moeten we nog leren.

Ik heb al iets geleerd. Ik heb geleerd dat ziekte maar een woord is zoals een stoel ook best een boot kan zijn, als je dat wil. Ik heb ook geleerd dat het niet waar is dat je jaren zomaar krijgt. Je moet er iets voor doen. Er zijn, de dingen nemen hoe ze komen, er het jouwe van denken, jezelf in bochten wringen om je daarna weer uit de knoop te halen, de wereld in stukjes breken en dan de puzzel leggen. Opnieuw en opnieuw en opnieuw. Tot je er iets van krijgt.

Ik kreeg vandaag een pakje. Het was achtentwintig.

Net wat ik wou.

14184293_736767073129557_7469484284532888408_n

 

Moe, moeder.

Of ik drugs nam, wilde hij weten. Nee. Of er misschien iemand iets in mijn drankje had gedaan? Onmogelijk. Niet gefeest het afgelopen weekend? Nope. De lange witte jas met bril erbovenop staarde lang naar de cijfers op het blad. 1365. Dat was veel. Zeker gezien de bovengrens van 32. Op school zou zo’n prestatie heroïsch geweest zijn, maar voor deze test bleek ik resoluut gebuisd. Mijn lever had gefaald. Na nog wat gissen en missen viel uiteindelijk de diagnose: auto-immune hepatitis B. Het kind had een naam. Mijn kind.

Ik was 16,5 en een slechte moeder. Ik wilde geen kind. Zeker dít kind niet: weerbarstig, opdringerig, assertief, agressief. Het kwam ongevraagd mijn leven binnen en ging genadeloos in de aanval. Maakte mijn lever kapot, legde mijn hele wezen lam. Ging los tegen mijn stroming in. En trok een dik rood kruis over mijn zelfverzonnen toekomst, bijeengedacht door de stemmen in mijn hoofd. De toekomst waarin ik Iemand zou Zijn. Waarin ik zou buigen voor de mensheid, maar enkel onder luid applaus. Waarin ik mijn ego alle groeikansen zou bieden. Die luchtbel van een toekomst waar ik zo op was gericht.

Het kind moest weg. Zo snel mogelijk. “Hmmm…oeilijk”, aldus de witte jas met bril. Maar verstopt, verdoken, verdrongen moest wel lukken. De wetenschap kon veel. Hij schonk me doosjes cortisone: bijzonder effectief tegen dwarse kinderen. Houdt ze klein, drukt ze plat, verloochent hun bestaan. En inderdaad. De schreeuw om aandacht werd gewetenloos gesmoord. Het kind in mij verdween. Jaren en jaren en jaren.

Jaren en jaren kropen voorbij. De cortisone kwam haar tol eisen: vochtophoping, broze spieren, blauwe plekken, dunne huid. Dit was ook niet wat ik wou. Ook dit moest weg. “Hmmm…oeilijk”, aldus de witte jas met bril. Nu ook met mond vol tanden. “Heel moeilijk.” Ik had maar één keuze. Minder cortisone, meer kind? Minder kind, meer cortisone? Ik wikte en woog en nam een flink besluit: minder cortisone, meer moeder. Zo hoort dat, als je ouder bent.

Ik leerde ze tot stilte manen, de stemmen in mijn hoofd. Ik leerde luisteren naar dat kind van mij. Horen wat het te zeggen had. Zijn bestaansrecht te omarmen. Want ja: het was ongevraagd mijn leven ingekomen. Had mijn lever kapot gemaakt en heel mijn wezen lamgelegd. Maar het was niet gekomen om te vechten. Het kwam om te beschermen. Om de strijd te staken die al lang in mij woedde. De strijd van wie ik kon zijn versus wie ik dacht te willen zijn. Mijn kind kwam om te breken. Mijn zelfverzonnen toekomst. Mijn dammen. Opdat ik eindelijk zou stromen. De enige juiste kant uit. Weg van alle weerstand.

Ik dacht dat ik een doder had. Lang leve mijn lever.

voorine

“Nooduitgang gezocht” – het begin van een heldentocht.

Hallo? Hállo? Mag ik even jullie aandacht? HALLOOO? Kan iemand mij zeggen waar de uitgang is? IEMAND? Nee?

De uitgang. Ik loop er al jaren op te zoeken. Tussen mijn hersens, langs mijn keel, via mijn hart, door mijn buik. Tot helemaal in mijn tenen. Ik draai cirkeltjes in mijn lijf en ik kom er niet uit. Wie zou ik toch zijn buiten mezelf? Als ik mijn eigen uitgang had ontdekt? Kan ik hem bedenken, hem uittekenen en er dan doorheen stappen? Zou het zo simpel kunnen zijn?

Ik ben op tocht geweest. Ik heb het gevraagd aan iedereen die ik tegenkwam. Eerst bleef ik een tijdje in mijn hoofd hangen, maar daar liep ik tegen muren. Het enige antwoord dat ik kreeg, kwam van mijn eigen echo. “Waar is de uitgang?”, vroeg ik. “Waar is de uitgang?” antwoordde ik. En dan luider: “WAAR IS DE UITGANG?”, vroeg ik. “WAAR IS DE UITGANG?”, antwoordde ik. Tot op een dag de muren braken onder al dat geroep. Ik schopte stenen en brokken geschiedenis opzij, slikte mezelf in –nadat ik eerst enkele maanden op mezelf had zitten kauwen- en schoof zo in de richting van mijn hart. Daar was alles warm en zoet. Er zat een vrouwtje aan de kachel met thee en koekjes en ik ging aan haar knieën tegen de schommelstoel zitten, mee naar het vuur kijkend. Het was er zo goed dat ik bijna vergat wat ik zocht. Maar goed gaat ook vervelen. Dus nadat ik weken wat moed van het tapijt had geplukt, vroeg ik het haar: “Waar is de uitgang?”. Ze glimlachte en antwoordde zacht:

“Alles komt altijd goed.”

Het was niet eens een antwoord. Het was een stelling waar ik niets aan had, die me geen millimeter dichter richting uitgang duwde. Ik wilde niet dat alles altijd goed kwam want alles wás al goed en goed gaat ook vervelen. Dus ik vertrok. Ik had wat te verteren dus schoof verder richting buik. Zo kwam ik bij mijn lever terecht, alleen wist ik dat nog niet. Er lag van alles op. Een hele stapel woorden. Woeste woorden van “IK HAAT JE” en “IK BESTA WÉL” en “STOMME STOMME EGOÏST”. Als een toren lagen ze op elkaar en blokkeerden ze de weg. Wilde ik verder, moest ik iets met die woorden zien te doen. Eerst dacht ik ze op te eten, maar dat deed ik al eens eerder en dat had toen geen succes. Ik moest en zou ze naar buiten krijgen, dat was de enige weg. Maar ja. Ik wist niet waar de uitgang zat. En aan mijn lever iets vragen, bleek dus ook geen optie. Zo zat ik vast. Jaren en jaren. Geklemd tussen gegiste woorden. Met de tijd waren ze rijper en bitterder geworden. En bijtend, bijtend zuur. Wat moest ik? Ik kon nog maar één kant uit: terug vanwaar ik kwam. Het vrouwtje in mijn hart. Maar ik wist al wat haar raad zou zijn. Vier woorden.

“Alles komt altijd goed.”

Tja. Het moest dan maar.

deuitgang.jpg

Leen.

(Een tijdje geleden won Leen Bastiaenssen onze eerste Facebookwedstrijd. Onlangs gingen wij gewapend met vragen, notitie- en schetsboek bij haar langs voor een poëzie- en beeldportret. Vandaag het resultaat!)

Leen.

haar buik is rond
zoals de wereld
waarin zij onbezwaard verblijft
en als met potlood op papier
de dagen naar zich toe schrijft
.
van cake schijnen de handen
waarmee ze ‘t allerdaagste doet
in het huis waar wordt gefezeld
“het is goed zo, het is goed”
.
wie binnen wil
moet zachtjes kloppen
roepen breekt haar gevel niet
maar ook in stilte rijst de vraag
hoe zij De Dingen ziet
.
de toekomst vindt ze
heeft twee kanten;
dromen zijn een koestbaar goed
maar “morgen” is niet meer
dan een woord met overmoed
.
en zo verschoof ze zonder plan
getild door een beminde man
van kantlijn richting piedestal
waar zij vervolgens doodgewoon
een bedje maakte
voor een zoon
.
en waar ze nu de dagen telt
van weer een dag naar nog één meer
tot haar ronde buik straks smelt
voor een tweede miniheer
.
van op haar sokkel zal ze vieren
haar megamonopolie
de mannen hebben ’t grootst geluk:
als vrouw telt zij
voor drie.
.

Ine Verhaert
20-03-2017

2017-04-08 20.44.35

Jasper De Ridder
20-03-2017

 

Eieren vóór Pasen

Vroeger, lang nadat ik er de leeftijd voor had, had ik een Game Boy. Color. Én een spelletje: “Chicken Run”. Als leading kip moest ik een spoor van zaadjes droppen, waarmee ik de andere kippen richting uitgang lokte. Pas als elke kip verdwenen was, kon ik er zelf achteraan. Zo kwamen we allemaal samen -level na level- dichter en dichter bij de poort naar de vrijheid. Dwaas spel. Uuuren gespeeld.

Onlangs zat ik thee te drinken met een vriendin, terwijl om ons heen van ontbijtgranen en eitjes werd gesmuld. Ik vertelde haar over een toekomstig project, iets met studiekeuzehulp bij laatstegraadsstudenten. Zij vroeg me of ik ooit van “coretalents” had gehoord, een methode waarbij men uitgaat van wat 100% “jou” is. Dat wat diep in jou zit en je -voor je eigen goed- af en toe naar buiten moet brengen. Jouw eieren.

Eieren. Hmm. Zo heb ik er wel wat. Zo van die dingen die er soms, tegen wil en dank, uit dreigen te floepen. Woordmopjes, om maar iets te noemen. Zo van die dingen waarvan je denkt dat geen kat er iets aan heeft. Niets vernieuwends, niets waar je de wereld beter mee maakt. Wat doe je daar dan mee? Niets. Ah nee. Want Dingen moeten Betekenis hebben. Dus heb ik jaren stilgestaan. Knauwend op Mijn Hogere Doel. Eerst een strategie, dán aanvallen. Eerst mijn ei ontdekken. Dat ei waarmee ik naar buiten kon komen. Dat ene ei dat de moeite van het uitbroeden waard was. Want ik ging ervan uit dat je eieren uit moet broeden. Altijd. Er lang op gaan zitten, er veel aandacht aan schenken. Totdat er een machtig schepsel uit ontstaat. Iets wezenlijk waarmee je de wereld verandert. Dát ei, dat moest ik leggen. Dat ding waarvoor ik geschapen was.

Ik heb lang in mijn hoofd geleefd. Maar terwijl ik mijn hersens zat te breken op dat Ene Grote Ding, barstte mijn buik van de eieren. Ik kon niet anders, ze floepten eruit. Woordmopjes, schrijfsels, reclamewerk,…. Mijn dagen vulden zich gulzig totdat ze overliepen. En dat doen ze nog steeds. Maar ik ben lichter. Mijn buikpijn is weg en mijn hoofd ontploft niet meer. Ik doe maar wat en vind het leuk. En het mafste is: met mijn hoofd op snooze komen mijn dromen dichterbij. De wereld die ik mezelf wens, wordt helderder met elke dag. Mijn doel ontvouwt zich met de uren.

Vroeger, lang voordat ik er de leeftijd voor had, probeerde ik mijn pad te zien. Waar ik toen de weg zocht alvorens stappen te durven zetten, loop ik nu het wilde weg in. Met een spoor van eitjes als graankorrels achter me aan. Wie míj wil hebben, die vindt me zo. Dat merk ik elke dag. Level na level. Op weg naar de laatste poort.

Dus. Zit je met een ei? Leg het. De wereld heeft er nood aan.

’t Is bijna Pasen.

eierenvoorpasen

De deuren van de dood.

Wat er precies gebeurd was, wisten ze niet. “Maar nonkel Jef is er niet goed aan toe”, zei ze. Mijn vriendin en ik hadden elkaar al een tijdje niet gesproken en nu hoorde ik haar, op een gewone vrijdagmiddag, door mijn telefoon. Meteen ging ze over tot de essentie van de week. Dat de buurman haar nonkel in de gang had zien liggen toen hij ontdekte dat de voordeur nogal openstond. Dat hij door dokters in kunstmatige coma werd gehouden en zijn situatie als levensbedreigend verklaard. Dat ze niet wisten hoeveel “Jef” er nog over zou blijven, mócht ontwaken aan de orde zijn. Tja, hoe ga je dáármee om. In een flard dacht ik aan een bericht van gisterenavond. Ik zou weer eens afspreken met een vriend. “Na dit weekend”, whatsappte hij. “Want het is bijna 11 maart en we gaan eerst maar eens zien hoe we daarmee moeten omgaan *trieste emoji*.” Vorig jaar op 11 maart stierf zijn vader.

Het hele verhaal –de geschiedenis van nonkel Jef, zijn warme rol in de hechte familie en alle feiten van de afgelopen dagen- nam zeker een half uur in beslag. Ik luisterde aandachtig en had het raden naar wat er zou komen. Het klonk allemaal erg gecontroleerd en doordacht. Exact hoe ik haar kende. De rationele vriendin van op het Rits jaren geleden. Met een duidelijk verhaal, alsof het al 100 x verteld was. De feiten. Maar wat zat eronder? Treurde ze? Eén ding was alleszins duidelijk: Jef was een bijzonder man. Voor haar, en voor de hele familie. Ik moest dus maar eens zien hoe ze daarmee zouden omgaan.

Voor mezelf had ik dat ook moeten zien, zo’n anderhalf jaar geleden. Er kwam toen een man in mijn leven gedoken. Twee maanden later sprong hij er abrupt en onomkeerbaar weer uit. Ik had geen idee wat ik daarmee moest, hoe ik die passage een plekje zou geven. Een tijdje geleden begon ik aan een nieuw project, gestuurd door dat verhaal. Sindsdien heb ik prachtige gesprekken gevoerd, mensen van hun meest kwetsbare kant mogen zien. Hij schonk me een fantastisch cadeau.

De feiten waren rond. Jef was verteld, nu was het aan haar. Ik benieuwd. Dat het goed was, zei ze. Wat het ook zou zijn. Ze meende het. “Als hij gaat, is het omdat het goed voor hem geweest is. Als hij blijft, heeft hij allicht nog iets te zoeken hier.” Daar durfde ze op te vertrouwen. Ze was verbaasd van haar eigen reactie op de situatie. Een jaar geleden zou het anders zijn geweest. Maar plots zag ze haarscherp hoe er iets in haar verschoof. Alsof er een andere wereld openging. Een donzig tweede leven als een deken om haar heen viel.

De vriendin van op school was niet in de buurt. Hier klonk een andere vrouw. Het was een vrouw die intense dagen had gehad. Maar goed intens, echt goed. Een vrouw die overspoeld werd door een zee van dankbaarheid. Voor het begrip van haar omgeving. Voor alle warme babbels met de mensen om zich heen. De gedeelde kwetsbaarheid. Zoveel dank. Zoveel licht. Ik vroeg haar of ze zichzelf niet vergat. Of ze kon zien hoe ze die wereld zélf had gecreëerd. Omdat die vrouw die nu door haar woorden klonk, al jaren op haar hart had staan bonken. En dat ze –na veel weerstand- de deur geopend had.

Ze slikte tranen weg. Ik ook.

Merci Jef.

Nonkel Jef

Cafeine viert² !

Liefste.

De kater komt.
Reality check: check.
Dorst.
En nu ga ik.
Ouder, niet wijzer.
An (in)finite loop.

ps: Wanneer gaan we nog eens fietsen? (*)

15820354_10154848355878766_1085600970_n

(*) De start van 2016 was de start van Cafeine.
De start van 2017 vatten we graag samen aan de hand van blogposttitels en – beelden.
En ja, wij gaan voort. Iedere twee weken. 
Wie blijft er mee wakker? 

Veel creativiteit, liefde en al wat je jezelf voor 2017 toewenst!

Tot gauw,
Jasper en Ine

ps: Onze posts verschijnen voortaan op dinsdag i.p.v. op vrijdag

Brief aan mijn 27-jarige zelf, brief aan El Hierro

Hola mi niña,

Ik schrijf je, al ben ik dichterbij dan je vermoedt. Zelfs op het meest zuid-westelijke punt van Europa, -die plek die lang als het einde van de wereld werd beschouwd- kan je niet aan mij ontsnappen. We zijn twee jaar verder en ik ben hier weer. Op dit wonderlijke eiland. Waar mensen me verwelkomen alsof ik nooit ben weggeweest. Waar ze het fruit voor mij uit de hemel plukken. Waar tijd niet bestaat: er is de zon, de zee, de maan.

November 2014. Je bent afgestudeerd en hebt geen idee meer wat je wil, behalve dan rust voor lichaam en hoofd. Je bent het beu om je te bewegen tussen mensen die je kennen. (Niet kennen. Je dénken te kennen, omdat je al zo lang door hun leven zweeft.) Je wil geen kind meer zijn, geen zus meer zijn, niet de vriendin zoals je ze speelt. Je lief en jij hebben na twee intense jaren, besloten jullie eigen pad weer op te zoeken. Het is de perfecte periode om te doen wat je al zo lang wilt: weggaan. Je nulpunt tegemoet. Voor even niemand zijn. Ultieme vrijheid. En dan van daar opnieuw.

En kijk, daar loop je nu. Zeven maanden lang zullen je dagen zich vullen als met een druppelteller. Je zal veel wandelen, zwemmen, vrienden maken, Spaans leren, uitstapjes doen en vooral: hardnekkig proberen. Proberen om dingen op papier te zetten. Proberen om het leuk te vinden. Proberen om niets of niemand te missen. Voor jou voelt het niet als proberen. Jij doet gewoon. Je zoekt. En je noemt het vrijheid. De vrijheid om eindelijk te doen wat je wil en te zijn wie je bent.

December 2016. We zijn twee jaar verder. Er is zoveel gebeurd. Thuis heb ik beseft hoe graag ik al mijn naasten zie. Ben ik vol energie in honderd projecten gedoken. Heb ik prachtige nieuwe mensen ontmoet. En nu ben ik hier weer. Niet voor zeven maanden, wel voor zeventien dagen. En behalve de zon, is er niets wat ik hier zoek. De dingen komen en stromen. Het enige wat ik nog hardnekkig doe, is wandelen. En met elke stap, glijdt België verder weg en kom jij dichterbij.

We lopen samen naar La Maceta om te zwemmen in de zee. Bij het water zie het helderder dan ooit: jou. De Ine die ik niet meer ben. Mij. De Ine die ik ben. En alles wat ertussen zit. Eigenlijk is het simpel. Ik ben noch de Ine van toen, noch de Ine van nu. Noch het kind, noch het lief, noch de zus. Ik ben niemand van hen allen, en tegelijk ze allemaal. En de mensen rondom mij zien alleen maar wat ik toon. Ze zien de Ine die ik ben. Wie dat is, dat kies ik zelf. Ik heb beseft dat ik mezelf kan kiezen. Elke dag opnieuw. Waar ik ook ben, met wie ik ook ben. Volgens mij is dat mijn vrijheid.

Het is goed om hier te zijn. Nu, en toen. En volgende keer. Want ja, ik kom terug. Ik zal je niet vragen om mee naar huis te komen. Ik zal je blijven bezoeken. En ik ben benieuwd wat ik mezelf zal zeggen. Ons. Benieuwd hoe vrij we zullen zijn.

Geniet, vogeltje.

x Ine

PS: Onthoud dit goed: tijd bestaat niet. Er is de zon, de zee, de maan.

brief-aan-el-hierro

Pauls laatste pakje

(Begrafenistekst voor Paul Raeymaeckers, ex-postbode, weduwnaar, vader, grootvader, overgrootvader)

Lieve opa,

Een paar dagen geleden vertelde ik nog tegen iemand hoe heerlijk ik als kind sommige ritueeltjes wel niet vond. Dat mama me bij ’t instoppen altijd een kruisje gaf, bv. Dat was belangrijk. Echt. Dat ze dat van jou overgenomen heeft, weet ik pas sinds deze week.

Ik heb niet veel grootse herinneringen aan jou. We hebben nooit heel diepe gesprekken gevoerd. Maar. Je was mijn opa. Je was de vader van mijn moeder. Zonder jou, was zij er niet geweest, om van mezelf nog maar te zwijgen. Ik heb mijn leven aan jou te danken. Vaak sta ik daar niet eens bij stil. En het is die vanzelfsprekendheid om het feit dat ik leef, die op momenten als deze wel eens loeihard uit elkaar spat. Soms zou je willen dat je daar de juiste woorden aan kon geven. Nog zo iets. Dat we er altijd maar van uitgaan dat mensen ergens woorden voor hebben. Je snapt wel wat ik bedoel hè, opa.

Lieve mensen allemaal,

Er is een periode in je leven waarin je beseft dat je ouders mensen zijn, en je je kinderrol deels loslaat. Er is allicht ook een moment waarop je beseft dat je kinderen mensen zijn, en je je ouderrol gedeeltelijk van je af moet schudden. En misschien vind je dat je de rol van kind of ouder nooit degelijk vervuld of ontvangen hebt. Toch zit je hier, nu. Toch zijn wij hier, nu. En vaak beseffen we pas wat dat betekent, op het moment dat het te laat lijkt om er dankbaar voor te zijn. Maar misschien is het nooit te laat. Misschien hoeven dagen als vandaag niet treurig te zijn. Misschien mogen we ze uitpakken als een cadeautje. Een postpakketje, door Paul bezorgd. Met iets dat altijd al in de kantlijn van ons leven hing, maar plots voor even in de spots komt te staan. En het minste wat we met dat pakketje kunnen doen, is het zien, aanvaarden, in ons hart sluiten en doorgeven. Zal ik dan maar beginnen?

Opa. Bedankt. Voor dit, voor nu, voor alles wat hiervóór kwam en voor al wat nog mag komen. En dan. Allerliefste mama, alsjeblieft. Bij deze: een kruisje op je hoofd. Om elke dag die we samen nog gaan beleven, zacht en gekoesterd af te sluiten. Elke dag die ik aan jou te danken zal hebben. Altijd.

lieve-opa

An (in)finite loop

31 oktober, 7u ’s ochtends. Ik droom je. We lopen bladerend door de herfst. Het lijkt alsof je terug bent, maar ik vergeten ben van waar. Ik vraag je hoe het met je gaat. “Goed”, zeg je. Je glimlacht.

“Hij was een super goeie gast, maar deze aardbol draaide te snel voor hem”. Dat was je laatste diagnose, gesteld door een vriend. Ze priemde door het scherm van mijn smartphone. Exact één jaar geleden. Ik vroeg je waarom je in mijn leven was gedoken, om net daarna abrupt te verdwijnen.

De zon schijnt. Alles is simpel. Er is een trouwfeest om de hoek. Ik moet erheen maar doe het niet. Jij bent hier en het is zo lang geleden. Ik vraag je hoe het met je gaat. “Goed goed”, zeg je.

Ik dacht veel na sinds toen. Want stel nu dat het niet zo was. Van die aardbol. Stel nu dat zij die in de kantlijn staan, net buiten het systeem, daar niet staan omdat ze niet meekunnen met de rest. Stel nu dat ze snéller zijn. Dat ze kilometers vooroplopen, en meer zagen dan wij. Dat ze niet puffend hebben afgehaakt, maar wachten tot wij bij zijn. Dat ze hopen dat wij het ook zullen zien: de wedren zonder einde. Het lopen om het lopen zelf. Stel je voor. En wij maar proberen om hen mee in onze pas te trekken.

Ik vraag je hoe het met je gaat. Maar écht. “Goed. Heel goed.” Je zegt het met een rust die pure eerlijkheid verraadt. Dan lopen we een supermarkt in. Jij scheurt verpakkingen open. Eet snoepjes op in alle kleuren. Stopt er enkele in je zak, zonder te betalen.

Hoe eenzaam moet dat zijn. Dat je de mensen als gekken door een molen ziet lopen, voortdurend elkaars geluk afschermend. Dat je erbij staat, ernaar kijkt en er niets aan kan doen. Dat zij joú raar vinden, omdat je niet plooit. Want dat is wat zij doen. Plooien. Gevormd door de angsten van een ander, verblind door projecties van de massa. Ze dansen naar de pijpen van bloedzuigende bazen. Vechten tegen een lichaam dat schreeuwt om rust. Zwijgen wanneer er gesproken moet worden, spreken wanneer er geluisterd moet worden.

Ik wil naar buiten. Kan niet weg. Er staan twee vrouwen voor de schuifdeur aan de uitgang van de winkel. Eentje houdt een pistool op mij gericht. Ze schiet, recht langs mijn hoofd. Ik ben doodsbang, maar ze laat me gaan. Binnen raast paniek.

Stel je voor. Dat ze hun angsten en excuses voorgoed zouden doorprikken. Dat ze de tralies zouden zien die hen binnen het systeem houdt. Stel dat ze massaal hun slachtofferrol naast zich neer zouden leggen. Fuck you zouden doen naar zelfzuchtige bazen. In bed zouden kruipen als hun lijf daarom vroeg. Misdadigers van hun voetstuk zouden schoppen. Hun leven in eigen hand zouden nemen. Oh nee, god nee. Ze zouden maar eens gelukkig moeten worden. Lafaards. Mijn vrienden, mijn naasten. ’t Zijn godverdomme allemaal lafaards.

Buiten vrees ik dat ik je nooit meer zal zien. Dat de vrouwen het snoep in je zakken zullen vinden. Dat hun schot je niet zal missen.

Ik vroeg je waarom je in mijn leven was gedoken, om net erna abrupt te verdwijnen. Maand na maand bleef je me antwoorden sturen. Je leerde me om boos te zijn. Om mijn verlamming via woede van mijn lijf te schudden. Door jou heb ik mijn kracht ontdekt. Een explosieve bom die mij ’s ochtends uit mijn bed knalt. Een storm die mijn leven vooruit stuwt. Nooit was ik zo razend. Nooit zo gedreven.

Mijn blik is stevig op de schuifdeur gericht. Af en toe loopt er bedrukt iemand naar buiten. En dan ben jij daar plots. Je loopt rustig door de deur. Niet de schuifdeur waar ik angstig mijn blik op gefixeerd had. Die andere deur, een meter ernaast. Een deur die wagenwijd openstaat. Voor iedereen die ze ziet.

Nooit zo vrij.

aninfiniteloop2