Pauls laatste pakje

(Begrafenistekst voor Paul Raeymaeckers, ex-postbode, weduwnaar, vader, grootvader, overgrootvader)

Lieve opa,

Een paar dagen geleden vertelde ik nog tegen iemand hoe heerlijk ik als kind sommige ritueeltjes wel niet vond. Dat mama me bij ’t instoppen altijd een kruisje gaf, bv. Dat was belangrijk. Echt. Dat ze dat van jou overgenomen heeft, weet ik pas sinds deze week.

Ik heb niet veel grootse herinneringen aan jou. We hebben nooit heel diepe gesprekken gevoerd. Maar. Je was mijn opa. Je was de vader van mijn moeder. Zonder jou, was zij er niet geweest, om van mezelf nog maar te zwijgen. Ik heb mijn leven aan jou te danken. Vaak sta ik daar niet eens bij stil. En het is die vanzelfsprekendheid om het feit dat ik leef, die op momenten als deze wel eens loeihard uit elkaar spat. Soms zou je willen dat je daar de juiste woorden aan kon geven. Nog zo iets. Dat we er altijd maar van uitgaan dat mensen ergens woorden voor hebben. Je snapt wel wat ik bedoel hè, opa.

Lieve mensen allemaal,

Er is een periode in je leven waarin je beseft dat je ouders mensen zijn, en je je kinderrol deels loslaat. Er is allicht ook een moment waarop je beseft dat je kinderen mensen zijn, en je je ouderrol gedeeltelijk van je af moet schudden. En misschien vind je dat je de rol van kind of ouder nooit degelijk vervuld of ontvangen hebt. Toch zit je hier, nu. Toch zijn wij hier, nu. En vaak beseffen we pas wat dat betekent, op het moment dat het te laat lijkt om er dankbaar voor te zijn. Maar misschien is het nooit te laat. Misschien hoeven dagen als vandaag niet treurig te zijn. Misschien mogen we ze uitpakken als een cadeautje. Een postpakketje, door Paul bezorgd. Met iets dat altijd al in de kantlijn van ons leven hing, maar plots voor even in de spots komt te staan. En het minste wat we met dat pakketje kunnen doen, is het zien, aanvaarden, in ons hart sluiten en doorgeven. Zal ik dan maar beginnen?

Opa. Bedankt. Voor dit, voor nu, voor alles wat hiervóór kwam en voor al wat nog mag komen. En dan. Allerliefste mama, alsjeblieft. Bij deze: een kruisje op je hoofd. Om elke dag die we samen nog gaan beleven, zacht en gekoesterd af te sluiten. Elke dag die ik aan jou te danken zal hebben. Altijd.

lieve-opa

Advertenties

Mijn eerste spreekbeurt

Naam: roosje
Klas: 2B
Taak: psreekbeurt


hallo. ik ben roosje en mijn spreekbeurt gaat over doot zijn. ik ga over een paar maanden mischien doot denkt de dokter en sommige kinderen weten niet wat dat betekent. strakjes wel. alee dat denk ik toch.

als je doot bent gegaan dan is er iets gebeurt. ofwel heb je een ziekte gekregen, ofwel heb je honger gekregen, ofwel heeft iemand je dootgeschoten, ofwel ben je heel oud, ofwel heb je heel veel verdriet, ofwel heb je te hart gelachen ofwel heb je je te hart geverveeld.

eerst kunnen mensen komen kijken hoe je er uit ziet als je dootgaat. dan ben je een muzeum, maar mensen moeten geen tikets kopen, omdat iedereen die komt kijken van je hout en dus hebben ze allemaal vrijkaartjes. je hebt dan je mooiste kleren aan, degene die jij wil. jij bent doot, dus jij mag kiezen. zoals wanneer je jarig bent. doot en jarig is een beetje hetzelfde. als je leeft dan gaan mensen elk jaar over je leven praten en herineringen ophalen op je verjaardag. als je bent dootgegaan dan gaan ze dat doen op je dootsdag. er is wel een verschil: iedereen kent heel goed zijn verjaardag, maar zijn dootsdag kent niemand.

als alle mensen jouw muzeumtje bezocht hebben en jouw gezien hebben als je doot bent, dan sluit het muzeum. ze kunnen het muzeum niet open houden omdat mensen die doot zijn hard gaan stinken. dat is niet door scheetjes, want scheetjes krijg je enkel als je ajeunen en bonen eet en dat lusten doden niet. doden stinken omdat je je niet meer kunt wassen als je doot bent.

als het muzeum gesloten is, dan gaat de kerk open. en dan lig jij in het midden van de kerk en mag iedereen afscheid nemen, nu voor echt. dat heet een begrafemis. het stinkt er een beetje raar soms. de mensen gaan dan liedjes luisteren en huilen en over je vertellen. ze zeggen alleen maar goede dingen over je. niet dat je snoepjes hebt gepikt of dat je je huiswerk niet gemaakt hebt en ook niet dat je geklikt hebt. ze zeggen hoe leuk en lief en grappig ze je vinden. dat doen ze niet als je nog leeft. dat is omdat je anders een dikke nek krijgt en dan niet meer in de kist past. want aanja, als je dootgaat krijg je een kist. dat dient als bed, maar dan eentje waar je niet uit kan vallen. het is een kist omdat ze je na de begrafemis in de grond gaan steken en als je in een kist ligt komt het zand niet bij je. sommige mensen gaan niet in een kist, maar daar maken ze as van. hoe doen ze dat? ze verbranden je. dat klinkt eng maar je voelt het niet meer. en dan pas je in een potje. als je altijd al eens in een potje wilde passen dat kan dus als je doot bent. zo. en als je dan in die kist ligt, of in dat potje zit, dan is het gedaan. dan ben je voorbij.

en nu is mijn spreekbeurt voorbij. maar niet doot.

dankjewel voor jullie aandacht!

begrmuzkerk

Erfenis

Ik zit in de kerk. Ik huil. Een man is dood.

Het is koud en mijn armen doen pijn. Een vriendin had me aangeboden me op te halen, maar met een dankjewel had ik haar van me afgewimpeld. Ik wilde alleen zijn. De tocht naar de kerk viel me zwaarder dan gedacht en voor even had ik de haat om die rolstoel weer gevoeld. Voor even had ik weer beseft dat benen gemaakt zijn om te lopen, niet om je handen op te rusten te leggen nadat ze tientallen minuten je lichaam hebben voortgeduwd. De haat was gaan liggen zodra ik de kerk was binnengerold. Ik leef dan wel zittend, ik leef. De man in de kist vooraan niet meer. Hij was al een tijd uit mijn beeld verdwenen. Het was de vader van de vrouw vooraan. De vrouw met de lange hals, de hals die nog langer lijkt nu ze haar hoofd op haar borst laat rusten. Haar mond fluistert haar hart troostrijke woorden toe, althans zo lijkt het vanaf hier. Ooit was ik het die de woorden fluisterde. Ooit was ik het die haar lange hals nog langer maakte, gewoon door ernaar te kijken. Nog steeds ken ik de smaak van haar nek. Zoetig, zonder sporen van parfum. Die droeg ze niet, omdat de natuur haar werk moest doen. Haar eigen geur moest de juiste man lokken. Was ik de juiste man voor haar? Nee, dat was ik niet. Nooit had ik het beeld van haar vader geëvenaard. Die was sterk en stoer, onschendbaar. Ik was niet onschendbaar. Ik was zoals de auto van haar vader: geblutst en onbruikbaar. Ik weet nog hoe ze naar me keek, daar in het ziekenhuis. De teleurstelling -of was het walging?- omdat ik de auto van haar vader perte total gereden had. Wist ze al dat ik nooit meer zou lopen? Wist ze het al, toen ze mijn koffers naar het ziekenhuis bracht? Wist ze al van het kind dat in haar buik groeide? Het kind. Mijn dochter. Is zij het, die naast haar zit? Is zij het wiens hand op haar schoot rust? Is dit mijn dochter? Dit is mijn dochter. Ik zie haar. Ze groeit, alsof het niets is. Ik zie haar. Mijn dochter.

Ik zit in de kerk. De man die ik moest worden is dood, die vrouw die ik moest beminnen in rouw. Ik huil. Niet om hen. Ik huil om mijn dochter. Een groot geluk de wereld te hebben geschonken wat niemand me ooit dierf toe te schrijven.

indekerk
Naar Amadeo Modigliani