a + b = c

Je bent perfect
zoals je bent
ik ook dus
dat valt mee
en samen zijn we
meer
dan twee

tweemeerdaneen

Advertenties

De deuren van de dood.

Wat er precies gebeurd was, wisten ze niet. “Maar nonkel Jef is er niet goed aan toe”, zei ze. Mijn vriendin en ik hadden elkaar al een tijdje niet gesproken en nu hoorde ik haar, op een gewone vrijdagmiddag, door mijn telefoon. Meteen ging ze over tot de essentie van de week. Dat de buurman haar nonkel in de gang had zien liggen toen hij ontdekte dat de voordeur nogal openstond. Dat hij door dokters in kunstmatige coma werd gehouden en zijn situatie als levensbedreigend verklaard. Dat ze niet wisten hoeveel “Jef” er nog over zou blijven, mócht ontwaken aan de orde zijn. Tja, hoe ga je dáármee om. In een flard dacht ik aan een bericht van gisterenavond. Ik zou weer eens afspreken met een vriend. “Na dit weekend”, whatsappte hij. “Want het is bijna 11 maart en we gaan eerst maar eens zien hoe we daarmee moeten omgaan *trieste emoji*.” Vorig jaar op 11 maart stierf zijn vader.

Het hele verhaal –de geschiedenis van nonkel Jef, zijn warme rol in de hechte familie en alle feiten van de afgelopen dagen- nam zeker een half uur in beslag. Ik luisterde aandachtig en had het raden naar wat er zou komen. Het klonk allemaal erg gecontroleerd en doordacht. Exact hoe ik haar kende. De rationele vriendin van op het Rits jaren geleden. Met een duidelijk verhaal, alsof het al 100 x verteld was. De feiten. Maar wat zat eronder? Treurde ze? Eén ding was alleszins duidelijk: Jef was een bijzonder man. Voor haar, en voor de hele familie. Ik moest dus maar eens zien hoe ze daarmee zouden omgaan.

Voor mezelf had ik dat ook moeten zien, zo’n anderhalf jaar geleden. Er kwam toen een man in mijn leven gedoken. Twee maanden later sprong hij er abrupt en onomkeerbaar weer uit. Ik had geen idee wat ik daarmee moest, hoe ik die passage een plekje zou geven. Een tijdje geleden begon ik aan een nieuw project, gestuurd door dat verhaal. Sindsdien heb ik prachtige gesprekken gevoerd, mensen van hun meest kwetsbare kant mogen zien. Hij schonk me een fantastisch cadeau.

De feiten waren rond. Jef was verteld, nu was het aan haar. Ik benieuwd. Dat het goed was, zei ze. Wat het ook zou zijn. Ze meende het. “Als hij gaat, is het omdat het goed voor hem geweest is. Als hij blijft, heeft hij allicht nog iets te zoeken hier.” Daar durfde ze op te vertrouwen. Ze was verbaasd van haar eigen reactie op de situatie. Een jaar geleden zou het anders zijn geweest. Maar plots zag ze haarscherp hoe er iets in haar verschoof. Alsof er een andere wereld openging. Een donzig tweede leven als een deken om haar heen viel.

De vriendin van op school was niet in de buurt. Hier klonk een andere vrouw. Het was een vrouw die intense dagen had gehad. Maar goed intens, echt goed. Een vrouw die overspoeld werd door een zee van dankbaarheid. Voor het begrip van haar omgeving. Voor alle warme babbels met de mensen om zich heen. De gedeelde kwetsbaarheid. Zoveel dank. Zoveel licht. Ik vroeg haar of ze zichzelf niet vergat. Of ze kon zien hoe ze die wereld zélf had gecreëerd. Omdat die vrouw die nu door haar woorden klonk, al jaren op haar hart had staan bonken. En dat ze –na veel weerstand- de deur geopend had.

Ze slikte tranen weg. Ik ook.

Merci Jef.

Nonkel Jef

Liefste

(Voor Marjolein en Bert – 16 juli 2016)

Ik zou je liefste willen noemen.
Mag ik je liefste noemen?
Je mag blijven waar je bent, je hoeft niet hier.
Je hoeft niet met mij de dagen te tellen.
Ik wil gerust alleen zijn.
Met de gedachte aan jou kan ik allener zijn dan ooit.
Maar laat me je liefste noemen.
Ik zal je doen vergeten hoe je heet.
Ik zal je naam het zwijgen opleggen zodat je niemand hoeft te zijn.
Jij mag alles zijn.
Maar weet wel: je bent gelabeld voor het leven.
Het staat in je blik, in de ruimte tussen je ogen en de wereld.
“Liefste”, staat er.
Het is mijn handschrift.
Dus ja. Doe wat je moet en ga waar je gaat.
Voor jou kan ik allener zijn dan ooit.
Mezelver zijn dan ooit.
Mét jou kan ik meer samen zijn dan ooit.
Jij en ik. Onszelf.
Je moet met twee zijn om onszelf te zijn.
Dus ja. Wees wie je wil en blijf waar je bent.
En toe
laat me je liefste noemen.

laatme

Wanneer gaan we nog eens fietsen?

“Geef maar hier”. Ik doe mijn kousen uit, doorweekt van de regen. Zij hangt ze over de verwarming. “Zo”. We zetten ons aan tafel met een grote kop thee. “Koekje?”

Ze is zachter gaan praten, bedenk ik me. Na 28 jaren merk je zo’n dingen. Ik bezocht haar al in ‘t moederhuis, zelf drie maanden op mijn teller. Sindsdien leefden we mooi synchroon. Zij twee grote broers, ik ook. Zij naar de muziekschool, ik ook. Zij bij de scouts, ik ook. We kochten dezelfde T-shirts. Werden verliefd op een duo beste vrienden. Kregen samen onze totems, stonden samen in leiding. Alles van waarde ervoeren we samen. Haar papa stierf vroeg, de mijne in hetzelfde jaar.

We hadden altijd naast elkaar gelopen, tot tien jaar geleden. Ik kreeg een liefje, zij nog niet. Het ging uit met mijn liefje. Zij kreeg een liefje. Ik kreeg een nieuw liefje, zij had haar liefje. Het ging uit met mijn liefje, zij had haar liefje. Ik kreeg een nieuw liefje, zij kreeg een man. Het ging uit met mijn liefje. Ik ging op kot, zij kocht een huis. Ik kreeg een nieuw liefje, zij had een man in een huis. Het ging uit met mijn liefje, zij had haar man en haar huis. Ik ging weg, voor een tijd. Zij bleef. Ik kwam terug. Zij had haar man en haar huis. En haar kind.

Ik weet nog toen wij kind waren. Dat ik in vriendjesalbums als lievelingseten “pannenkoeken” schreef, en zij dat dan overnam. Hoe stom ik dat vond. Ik weet nog toen we pubers waren. Dat een ander haar wispelturig vond, en ik dat dan overnam. Of dat ik wel eens roddels verkocht, terwijl ik wist dat zij dat nooit zou doen. Ik weet nog toen we groter waren, niet zo lang geleden. Dat ik haar zei dat we toch best anders zijn. Dat ik me afvroeg of we vriendinnen zouden worden als ik haar nu pas leerde kennen. “Ah? Jawel toch? Nee?” Meer zeiden we niet echt. Maar ik weet nog onlangs. Ze kwam erop terug. De woorden hadden haar diep geraakt. Dat speet me enorm. En toch…. Maar het doet er niet toe. We kennen elkaar en ze hoort bij mijn leven. Ik was lang weg. Ik heb heel wat lagen van me afgepeld, maar er zijn dingen die altijd aan je huid blijven kleven.

De thee is op, mijn kousen zijn droog, onze levens weer eens doorgenomen. Ik ga. Net voor ik op straat sta, huilt haar dochter. Net voor ik de deur sluit, kijk ik in de toekomst. Hoe wij met drie rond de tafel zitten. Twee vrouwen en een meisje. Thee, koekjes en natte sokken. Hoe zij en ik vertellen van vroeger. Dat we winkeltje speelden als motief om chocolaatjes uit de kast te stelen. Dat we gingen minigolfen op de dag van de begrafenis van haar voke, en zij haar club in de bosjes smeet. Dat we vijf keer “Nothing Hill” keken, en altijd weer in slaap vielen. Dat we om de zoveel maanden weer eens “Smellory” speelden, terwijl die geuren al jaren vervallen waren.

Sommige dingen zijn onsterfelijk.

cafeine