Brief aan mijn 27-jarige zelf, brief aan El Hierro

Hola mi niña,

Ik schrijf je, al ben ik dichterbij dan je vermoedt. Zelfs op het meest zuid-westelijke punt van Europa, -die plek die lang als het einde van de wereld werd beschouwd- kan je niet aan mij ontsnappen. We zijn twee jaar verder en ik ben hier weer. Op dit wonderlijke eiland. Waar mensen me verwelkomen alsof ik nooit ben weggeweest. Waar ze het fruit voor mij uit de hemel plukken. Waar tijd niet bestaat: er is de zon, de zee, de maan.

November 2014. Je bent afgestudeerd en hebt geen idee meer wat je wil, behalve dan rust voor lichaam en hoofd. Je bent het beu om je te bewegen tussen mensen die je kennen. (Niet kennen. Je dénken te kennen, omdat je al zo lang door hun leven zweeft.) Je wil geen kind meer zijn, geen zus meer zijn, niet de vriendin zoals je ze speelt. Je lief en jij hebben na twee intense jaren, besloten jullie eigen pad weer op te zoeken. Het is de perfecte periode om te doen wat je al zo lang wilt: weggaan. Je nulpunt tegemoet. Voor even niemand zijn. Ultieme vrijheid. En dan van daar opnieuw.

En kijk, daar loop je nu. Zeven maanden lang zullen je dagen zich vullen als met een druppelteller. Je zal veel wandelen, zwemmen, vrienden maken, Spaans leren, uitstapjes doen en vooral: hardnekkig proberen. Proberen om dingen op papier te zetten. Proberen om het leuk te vinden. Proberen om niets of niemand te missen. Voor jou voelt het niet als proberen. Jij doet gewoon. Je zoekt. En je noemt het vrijheid. De vrijheid om eindelijk te doen wat je wil en te zijn wie je bent.

December 2016. We zijn twee jaar verder. Er is zoveel gebeurd. Thuis heb ik beseft hoe graag ik al mijn naasten zie. Ben ik vol energie in honderd projecten gedoken. Heb ik prachtige nieuwe mensen ontmoet. En nu ben ik hier weer. Niet voor zeven maanden, wel voor zeventien dagen. En behalve de zon, is er niets wat ik hier zoek. De dingen komen en stromen. Het enige wat ik nog hardnekkig doe, is wandelen. En met elke stap, glijdt België verder weg en kom jij dichterbij.

We lopen samen naar La Maceta om te zwemmen in de zee. Bij het water zie het helderder dan ooit: jou. De Ine die ik niet meer ben. Mij. De Ine die ik ben. En alles wat ertussen zit. Eigenlijk is het simpel. Ik ben noch de Ine van toen, noch de Ine van nu. Noch het kind, noch het lief, noch de zus. Ik ben niemand van hen allen, en tegelijk ze allemaal. En de mensen rondom mij zien alleen maar wat ik toon. Ze zien de Ine die ik ben. Wie dat is, dat kies ik zelf. Ik heb beseft dat ik mezelf kan kiezen. Elke dag opnieuw. Waar ik ook ben, met wie ik ook ben. Volgens mij is dat mijn vrijheid.

Het is goed om hier te zijn. Nu, en toen. En volgende keer. Want ja, ik kom terug. Ik zal je niet vragen om mee naar huis te komen. Ik zal je blijven bezoeken. En ik ben benieuwd wat ik mezelf zal zeggen. Ons. Benieuwd hoe vrij we zullen zijn.

Geniet, vogeltje.

x Ine

PS: Onthoud dit goed: tijd bestaat niet. Er is de zon, de zee, de maan.

brief-aan-el-hierro

Advertenties

KLEINE MAN II

(Uit: “Grote jongen, kleine man”)

Jij huilt mij uit mijn voegen, kleintje. Het spijt me, maar ik moest. Morgen ben ik terug. Ik kon niet meer met jou vandaag. Jouw krijsen zuigt me leeg, ik moet mezelf weer vullen nu. Even niet met jou, één nacht schenk ik mezelf. Oh help, mijn borst begint te lekken. Er is er maar één die mijn moedertranen op kan vangen. Waar ben je als ik je nodig heb? Ik kan niet zonder jou verdomme. Mijn klein reusachtig babymonster.

Weet je wat het is, lief ding? Het is dat web waarin we zitten. Jij en ik en alle anderen. Het gaat nooit over twee personen, het gaat om wat er tussen hangt. Een draad die trekt en duwt en spant en lost. Die zich het hardst laat voelen hoe verder weg je gaat. Voel je het? Die rekt en rekt totdat hij springt. Huil niet liefje, toe. Luister.

Het is dat web waarin we zitten. Het wordt groter en groter en het kleeft je leven vast. Altijd komen er draadjes bij. Er zullen hongerige mensen je leven binnensluipen. Ze zullen van alles van je willen. Ze zullen hun draden rond je nek spannen en zich nestelen in je web. Daar zullen ze eindeloos aan je trekken. Maar draadjes zijn maar draadjes schat. Ik wil dat je dat weet.

Moed laat zich tonen in de vorm van een schaar. Wie dapper is, die knipt. Want ja, liefje, dat kan. Een draad is zo kapot. Het hoeft ook niet alleen. Soms doe je het samen, met een knipje pal in ’t midden. Dan is het mooi geweest, en klaar. Moet je elk een andere kant weer op. En soms… dan doet de ander het. Verdwijnt voorgoed. Dan loopt die draad van aan jouw lijf, voorbij het midden, tot daar waar hij nooit stopt. Het zijn die draden die het hardst achter je aan blijven slepen.

Maar ook die kan je knippen, petieterige tranenman. Je kan jezelf bevrijden. Weg uit dat web. De draadjes losmaken, zodat het lijntjes worden die je uit kan werpen wanneer je wil. En ook dan zal je bestaan, mijn schat. Ook dan ben je een mens. Misschien zelfs meer dan ooit.

Toe, niet huilen. Het leven is een suikerspin. Alles lost zich op.
En morgen ben ik terug.

kleine-man-2

Saudade

Beste meneer De Wever,

Even terug naar vorige week. Er werd al zoveel over u geschreven, en toen deed uw doortocht bij Friedl er een schepje bovenop. Ik heb die uitzending van Touché nog maar net herbeluisterd. Ik ben niet zo goed mee met de actualiteit. Dat is één van de punten waarop wij danig verschillen. Tot daar voor wat ons anders maakt. Ik wil u schrijven over wat we gemeen hebben. Staat u me toe dat ik u daarbij tutoyeer?

Friedl vroeg je de oren van je lijf. Jij kaatste woorden terug. Tot bij de vraag over je vader, die ene die de kranten haalde. “Mocht je hem terug kunnen zien: waarover zou je het willen hebben?” Toen viel je masker weg. Met je hand probeerde je het nog tegen je voorhoofd te duwen, je gebroken blik beschermend. Afscheid nemen, dat wou je doen. Hij was te plots gegaan. Jij draagt onuitgesproken woorden mee. Ze wegen op je schouders. Dat zag ik op het scherm, dat zie ik elke week.

Veertien was ik toen mijn vader stierf. Ik heb wél de kans gehad om afscheid te nemen. Het was niet voldoende. Ik weet niet of dat een troost kan zijn, maar het is nooit voldoende. De liefde die je hebt gekend, de onvoorwaardelijke trots, het lijkt altijd te groot voor wat je zelf hebt kunnen geven.

Ze zijn te vroeg gegaan. En “het enige wat overblijft is liefde”. Dat heb je mooi gezegd. Maar daar zitten we nu mee. En daar moeten we iets mee. Want liefde kan hard terugslaan. Als je geen weg meer vindt om ze naar buiten te brengen, dan vreet ze je op van binnenuit. Dan kan je star worden en koel. Je verstoppen in die hoekjes waar het licht niet meer schijnt. Of net bóven de massa uit gaan stijgen, daar waar de modder zich het beste laten vangen. Cynisme hardt beter dan cement, een muur is zo gebouwd. Het is soms makkelijker om liefde uit je leven te bannen, dan om te aanvaarden dat je ze verdient.

Maar wat als het zo is? Wat als we ze verdienden? Gewoon, om wie we waren? Gewoon, om wat we deden? Wat als dat alles voldoende was? Je kan niet terug. We kunnen niet terug. Ik kan mijn vader niet meer zeggen hoe graag ik hem zag. Ik kan hem mijn trots niet meer tonen. Ik kan hem niet meer troosten voor de pijn die hij kende. Maar er is veel wat ik nog wel kan. Er is de eeuwige kans om het anders te doen, dag na dag na dag. “Een mens is iets vreemds,” zei je in het gesprek. “Je sterft niet in één keer.” Nee, inderdaad. Elk overlijden dat je van nabij overleeft, is je eigen kleine dood. Maar je krijgt opnieuw en opnieuw een nieuw leven cadeau.

Dus ik probeer het. Geloven dat ik die liefde verdien. Het is de enige manier om iets terug te kunnen geven. Dank, respect, oprechte aandacht. Voor mijn moeder bijvoorbeeld, want zij is er nog wel. Ze was al tien jaar gescheiden toen mijn vader stierf. Desondanks –of net daardoor?- heeft zijn dood haar in haar diepste geraakt. Ik ken niemand die in haar leven meer berouw heeft gekend. Ik ken niemand die zo gezwoegd heeft om haar liefde “te verdienen”. Maar ze heeft het verleden een plaats gegeven. Vorige week is ze hertrouwd. Ze heeft gekozen voor de liefde. En ik probeer hetzelfde. Door haar mijn dankbaarheid te tonen. Haar, en vele anderen. In kleine stapjes, elke dag iets meer.

En het lijkt nooit genoeg. Er is altijd meer te geven. Zullen we dat dan ook gewoon maar doen? Ik stel voor van wel. Om onze vaders te eren. Om hun dood de plek te geven die ze verdient. Als liefde het enige is wat van ons over zal blijven, wat zouden we in godsnaam nog onze tijd verdoen.

Hartelijke groet,

Ine

saudade