Krasjes op de ziel, blaasjes op de dikke darm

“Goeiemorgen Anita!”

Ze staat met haar grote lichaam in een kleine, huisjesachtige serre. Het is de vrouw van het gebouw waarin mijn gehuurde Ardeense studio zich bevindt. Ze maakt zachte bewegingen, om de plantjes en de sla niet op stang te jagen. Ik passeer haar als ik in de tuin wat verse tijm ga plukken, want sinds de zomer zich heeft aangekondigd, is mijn lichaam van de kaart. Eergisteren vertrok mijn stem. Van Anita kreeg ik theetjes met citroen, Vicks om te dampen en tabletjes voor de luchtwegen.

“Ah, hallo! Al beter? Precies wel hè, ik hoor geluid!”

“Ja ja, stilletjes aan… Dankzij jouw goede zorgen!”

Terwijl mijn ene been alweer aan wandelen begint, vraag ik nog snel uit beleefdheid of met haar alles oké is. Ik verwacht haar standaard “ja”, maar krijg een twijfelde “bwoa…”. Mijn been trekt zich terug. “Oei?” “Sinds kort heb ik weer last van diverticulitis.” Divertiwát?! Ze lacht om mijn non-verbale reactie. Iets met ontstoken blaasjes op de dikke darm, legt ze uit. “Niet fijn. Veel pijn, maar vooral: een oersaai dieet. Rijst, pasta en gekookte kip. En dat een hele maand.”

De oorzaak zou vaak –zo had ze onlangs gelezen- een emotionele shock zijn. Dat verklaarde iets. De eerste keer dat ze ermee te maken kreeg, nu enkele jaren geleden, lag haar man in het ziekenhuis met ernstige kanker. “Ik stond op het punt voor hem nog wat inkopen te doen, toen ik zelf in een ambulance belandde.” We lachen een beetje om de gekke situatie. Zij samen in het ziekenhuis. In dezelfde gang, maar tegenover elkaar (strikt gescheiden beleid en zo). “Weet je…,” ze pauzeert, slikt. Ademt diep. “Sindsdien…. Elk jaar rond deze tijd komt het weer boven. Elk jaar weet ik dat het eraan komt. Die vreselijke maand. Geen fruit, geen groenten, niets van mijn eigen oogst. Ooooh, mijn aardbeitjes…. Élk jaar opnieuw.”

Beiden kijken we verzuchtend naar de tuin vol verse vruchten. Dan zie ik hoe ze haar hand naar haar oog brengt. Hoe een traan van haar wang naar beneden loopt. En nog één. Het lijkt alsof de aarde onder mijn voeten verschuift. Deze sterke vrouw. Een stevige brok Kempisch vlees. Die zich -ondanks haar pijnlijke benen- dagelijks vol liefde te pletter werkt in haar tuin. Die de wereld onder haar vleugels neemt maar zelf geen hand boven haar hoofd duldt. Die moeder kloek. Daar staat ze, te midden van haar kwetsbare plantjes, in een poging zichzelf te verstoppen.

Een stilte bevestigt wat we beiden voelen. Dat ons lichaam zoveel meer weet dan wij. Dat we zelf de koordjes in handen hebben, maar nauwelijks weten hoe ze te bedienen. “Ik weet het wel,” zegt ze. “Er is ergens iets waar ik niet klaar mee ben. Maar ik kan het niet. Niet nu nog allemaal.” En op dat moment breekt er ook iets in mezelf. In het hart van een jonge vrouw die al meer dan 10 jaar met haar lever in het reine tracht te komen. Ik ben bijna 29. Er is al veel gebeurd, ik heb geleerd en gevoeld, en ik heb nóg een zee van tijd. Zij is rond de 60. Wie opent dan de doos van Pandora nog graag?

Terug binnen maak ik mijn tijmthee klaar. Een herkenbaar ongeduld raast hardnekkig door mijn lijf. Als een onbestemde vijand bonkt de eeuwige vraag op de muren van mijn hoofd. Wanneer? In hemelsnaam: wanneer? Wanneer zal het tij gaan keren? Wanneer zullen kleintjes weer zien waar groten blind voor zijn geworden? Wanneer spreekt de jeugd de taal van ons lichaam opnieuw? Er is nog zoveel werk te doen. In een wereld waar zieken achter glas worden gezet, bestudeerd en bestempeld door onbesmette zielen. Waar voortdurend in wij versus zij wordt geleefd. Zij: de depressieven, de gekken, de hyperactieven, de zwakken. Maar het is als met de bal die onder water wordt geduwd. Hoe langer wij, hun zij, in een hokje worden geplaatst, des te forser we in hun gezicht zullen weerkaatsen. Nog méér burn-outs, méér kanker, méér psychiatrie. Want wij zijn niet de ziekte. Wij zijn de symptomen van een ontwrichte maatschappij. En net zoals je ziektes niet uitroeit door hun symptomen te onderdrukken, zal de wereld niet genezen voor ze haar “outsiders” omarmt. Zij moeten luisteren. En wij moeten spreken. Aan beide zijden van het glas hebben we onze verantwoordelijkheid te nemen. Dat zijn we verplicht.  Aan onszelf. Aan hen. Aan de komende generaties.

Aan Anita.

c9db61d7-cee5-4619-828f-24ca906c98e5

Advertenties

Glaucoom

Ara was er zelf nog niet eens geweest, of de ideeën over wie ze zou gaan worden hadden al aan de binnenkant van vele voorhoofden gekleefd. “In verwachting”, was haar moeder geweest. Iets meer dan negen lange maanden. Daar was het dus begonnen. Toén al was ze het personage in honderden boeken geweest, tóen al dachten mensen haar toekomst te kunnen vermoeden. Ze was bedacht geworden door haar omgeving, en ook na de geboorte zou ze nog voortdurend worden heruitgevonden. De persoon die ze zou denken te zijn, zou altijd slechts een doorsnede zijn van wat de anderen in haar zagen. Net zoals bij iedereen.

Na eenendertig jaren op deze wereld, meende Ara haar weg te hebben gevonden. In Het Land der Verwachtingen is de kameleon koning, dacht ze. Dus zonder kleur te bekennen, glipte ze van noord naar zuid en van oost naar west. Zo goed als ze kon probeerde ze te zijn wie ze dacht te moeten te zijn. Want de mensen wilden iets van haar, dat spuwden hun blikken. Het dampte in de lucht, sidderde door de straatstenen als kwam er net een trein voorbij. Maar ze wist begot niet wat en hoe. Er scheen een code te bestaan waar zij niet bij kon. Olleke bolleke riebesolleke, olleke bolleke knol. Telkens wanneer ze in de buurt verscheen, frommelde iemand het haastig weg. En ondertussen sloegen ze haar pogingen gade, keken smartelijk hoe ze de bal missloeg.

Dat was hoe het voelde. Ze moésten iets van haar. Ze waren Één Groot Oog, altijd op de loer. Het was Het Oog van een massa zonder gezicht, dat zich schuilhield achter elke hoek. Maar het was ook Het Grijnzende Oog van haar collega’s, wanneer ze ’s ochtends haar outfit uitkoos. Het Berispende Oog van haar moeder, als ze haar kinderen te bruut in bad zette. Het ontgoochelde Oog van haar vrienden, als ze ’s avonds besloot niet op café te gaan. Het Ongeleste Oog van haar man, als ze naakt in de spiegel haar sinaasappelhuid bekeek. Het was een Gigantisch, Genadeloos, Slorpend Oog.

Ze moest weg. Ara moest uit dat blikveld, dat haar steeds dieper de grond induwde. Als een kind, wilde ze zijn: ik zie hen niet, zij zien mij niet. Weg van iedereen, vrij van alle voorschriften. Dus liet ze alles achter. Ze begon te lopen, landen door en bergen over, tot ze alleen nog met zichzelf was. Ze zuchtte, dankbaar om het feit dat ze niemand meer moest zijn. En toen, vanuit een soort van niets, was het daar plots weer. Dat Onverbiddelijke Oog, hardvochtiger dan ooit. Priemend bij alles wat ze deed. Wat moest het hier? Er was toch niemand meer? Het zoog haar naar zich toe, maar ze draaide zich weg. Pas weken later, bekaf van het verstoppen, kon ze niet anders dan zich over te geven. Ze liet zich zinken in de blik die als een volgspot boven haar hoofd hing. En toen zag ze het. Midden in de iris, zat een meisje op een kruk. Geen vriend, niet haar kind, geen moeder, niet haar man. Het was Ara. Ze zat zichzelf te ver-wachten. Haar eigen potentieel uit de boom te kijken, tot het zijn houdbaarheidsdatum ver voorbij zou zijn. Het was alleen zijzelf geweest.

Het Oog knipoogde, en Ara lachte voorzichtig terug. Van ergens diep vanbinnen, kwam een meisje van haar kruk. Ze ademde diep, wierp haar armen in de lucht. Als een gordijn trok ze het ooglid zachtjes dicht.

oog3