Ouder, niet wijzer.

De dagen zouden in het ijle zweven waar ze cirkeltjes rond mijn hoofd zouden dansen. Er zou geen verleden aan mijn been kleven, geen toekomst onrustmakend op de loer liggen. Er zou alleen “vandaag” bestaan, en zelfs niet eens als woord.

Als tijd niet bestond.

De tijd heeft me 29 jaren geschonken. Nu vier ik. Ik vier wat gepasseerd is, en de kansen van morgen. Ik vier waar ik naartoe ga. Dat hij voor je ligt, dat zeggen ze, maar nooit hoe hij eruit ziet. Welke vorm, welke kleur, welk geur. Hoe groot, hoe lief, hoe lang. Hij zit me op de hielen, ademt in mijn nek. En toch is hij ongrijpbaar.

Oh toekomst.

Wat wil je dat ik doe? Zal ik rennen, stoppen, keren? Mee met alle winden? Lig je achter de zee? Voorbij de maan? Hoe zie ik je? Hoe zie jij mij? Ben ik gelaten, of net dapper? Doe ik het goed? Het juiste pad? Mocht het recht zijn: ‘k zag je liggen. Ik heb nog vele bochten te gaan. En wat dan nog. Jij bent altijd te snel voor mij. Te sluw. Een geest uit boze sprookjes.

Genoeg, jij spook.

Tot hier, en niet verder. Nooit meer bang nu. Want nee, ik kan het pad niet zien. Ik kan alleen de doorns verwijderen bij elke stap. De varens mijn gezicht uit duwen, stap per stap. En ja, ik heb het willen zien. De pijlen, de wijzers. Maar nooit meer bang nu. Vooruit zal ik altijd, dus blijf ik staan. Hier en nu is het altijd goed en dat de tijd haar ding maar doet. Met mij, voor mij, langs mij. Soms ook zonder mij. En dat alles naar me toekomt.

Dus kom maar op, jij spook.

Ik ga niet weg. Ik heb nog wel wat oordelen ja, en zal je vaak niet willen. Ik zal het pech noemen, of onmacht en in een slechte bui oneerlijk. Ik zal hout zoeken om pijlen uit te snijden en richting geven aan mezelf. Maar vaker zal ik drijven. Het hout tot vlot verweven en meegaan met de stroom. Zachtjes in de zomer, hard in herfststormen. Dus kom maar op, jij spook. Wie je ook bent. Wat het ook is.

Het komt me toe.

c

Advertenties

Assepoester v2 – 2016

Schoentjes gepast, vloeren gepoetst, bossen beschilderd, op tanden gebeten, insecten gevoed, honing geproefd, schurken gevloerd, pennen gelikt, wortels getemd, trommels getroond.

Ze had alles geprobeerd om iemand te zijn. Er was niets meer over. De lijst was af. Ze wist niet waar te beginnen nu ze het einde had gehad. Alle wegen leidden haar tegen en haar benen hielden voet bij stuk. Ze wilde dat ze ergens naartoe werd gezogen, of er van weggetrokken misschien, maar geen enkele kracht keek naar haar om. Ze kwam geen zandkorrel vooruit.

Alle tijd, die had ze. Dus ging ze denken, ging ze kauwen. Tot haar haar grijs was en haar tandvlees blauw. Tot ze verdwaald was in een doolhof van muren die ze zelf gebouwd had. Met het boetseren van haar brein had ze zichzelf ingemetseld. Nu moest ze uit zien te breken. “Een plattegrond!”, droomde ze even. Maar ze wist dat de aarde rond was en in sprookjes geloofde ze niet. Ook een kompas zou haar niet helpen want de wind was gaan liggen en de zon met het noorderlicht vertrokken. Er was dus maar één weg: álle wegen door. Elk pad begaan, van boom tot boom, wolk tot wolk, schurk tot schurk. Op haar stappen letten. En niet vergeten waar ze geweest was. Nooit vergeten waar ze geweest was. Dan moést ze er wel komen. Daar bij de rand, op de grens van een bestaan dat ze probeerde te vermoeden.

Het ging van lopen over huppelen naar strompelen tot kruipen. Nu ben ik er geweest, dacht ze. Overal was ze geweest. De wirwar van wegen: alles had ze uitgekamd. Elk pad had ze belopen, elk kruispunt overdacht. Wikken en wegen, schudden en schoppen, niets had haar een uitweg getoond.

Ze moest het vergeten. Alles vergeten. Niet meer kauwen, niet meer denken. Geen uitgang zoeken, niets meer willen, niemand zijn. Wel lopen, blijven lopen. Dat was haar nieuwe plannetje. Bewegen. Platgetreden paden begaan. Opnieuw en opnieuw. Tot ze door de grond zou zakken. Ze moest zo vaak dezelfde paden bewandelen dat ze zouden breken onder haar gewicht. Dan zou ze vallen, uit haar hoofd. Dat was het enige wat haar te doen stond. Vallen. Wie weet zelfs uit haar lijf. Kon dat? Kon ze iemand zijn buíten zichzelf? Ze popelde.

Insecten gevoed, schurken gevloerd, trommels getroond.
Ze had alles geprobeerd om iemand te zijn.
Maar probeer maar eens te vallen.

assepoesterdef

Breinbreker

Het heeft veel gangen, omdat iedereen ergens doorheen moet. Liften, kamers, bedden. Een cafetaria om wat tijd weg te slikken. Routes om je een richting te geven. Route 11: moeder- en kindcentrum.

Het is een raadsel. Waarom jij hier bent. Een paar weken nieuw maar, een donswit blad nog. Met een lijfje dat nog niet kan praten. Een lijfje waar dokters af en aan mee lopen. Foto’s trekken, bloed nemen, echo’s maken, katheders steken,…. Wij zien vooral dat hoofdje, dat boven je slaapzak uitsteekt. De kuiltjes in je wangen. Je kijkende ogen, fronsende blikken. Je tongetje hongerig uit je mond. We praten zachtjes, zingen terwijl we je voorhoofd strelen. Noemen je liefje, schatje, dikke vriend, kleine man. We wachten tot je de wereld in mag.

Er zijn veel gangen, en nog meer muren. Tussen de kamers, rond de dokters. Die toertjes draaien en cijfertjes rapen. Theorieën plukken in de tuin van de wetenschap. In hun hoofd gaan ze het rijtje af: lever, milt, hart, longen,…. Ze lopen de gangen netjes door, botsen op kruispunten tegen zichzelf aan. Ze hebben geen idee.

Ik heb geen idee. Hoe zij twee het blijven doen. Broer en schoonzus. Vader en moeder. Drie lange weken al: twee handen op één buik. Eén gezwollen buikje. Ze weten het niet, wat jouw lijf van je wil. Maar jouw hoofd kent nog geen raadsels, plukt geen verboden kennisvruchten. Omdat het grootste weten in jouw kleine lijfje huist. Dat zien we. Hoe jij daar kraakvers en brandschoon, alleen maar wezenlijk ligt te zijn. Hoe je te klein bent –of te groot- voor zorgen, angst en twijfel. Hoe je je lijf zijn ding laat doen, je hoofd nog niet tussen jezelf komt te staan.

Dus terwijl dokters tegen muren aanlopen, kunnen wij niet meer dan je je gang laten gaan. Je lieve, wijze gangetje. Nederig ondergaand wat de natuur je oplegt. Het is nog maar de start. Je bereidt jezelf nog voor. Herschikt jezelf. Schrijft je proloog, voordat je het podium op gaat. En wij, wij zitten klaar. Fluisteren je toe van in de coulissen. Noemen je knapperd, lieverd, maatje, held. Want we weten hoe je heet.

Siebe: Schitterende Overwinnaar.

Raadsel