wildernis

de wereld is een wildernis
van wensen, drang, verlangen
maar zelfs de meest bekwame jager
kan wild geluk niet vangen
dus stop ik maar voorgoed met willen
en niet-doorvoelde dromen
wie weet krijg ik niet-willend wel
wat altijd al moest komen.

Wildernis

Advertenties

waakvlam

roos gordijn

zeg mij: hoe kan ik rusten
als zelfs jouw slaap mij wakker houdt
hoe sluit ik ooit mijn ogen
als jij je dromend openvouwt
.
.je blik achter een roos gordijn
je lijf als van een pop
zo eis jij zelfs bewusteloos
elk zintuig van me op

Eieren vóór Pasen

Vroeger, lang nadat ik er de leeftijd voor had, had ik een Game Boy. Color. Én een spelletje: “Chicken Run”. Als leading kip moest ik een spoor van zaadjes droppen, waarmee ik de andere kippen richting uitgang lokte. Pas als elke kip verdwenen was, kon ik er zelf achteraan. Zo kwamen we allemaal samen -level na level- dichter en dichter bij de poort naar de vrijheid. Dwaas spel. Uuuren gespeeld.

Onlangs zat ik thee te drinken met een vriendin, terwijl om ons heen van ontbijtgranen en eitjes werd gesmuld. Ik vertelde haar over een toekomstig project, iets met studiekeuzehulp bij laatstegraadsstudenten. Zij vroeg me of ik ooit van “coretalents” had gehoord, een methode waarbij men uitgaat van wat 100% “jou” is. Dat wat diep in jou zit en je -voor je eigen goed- af en toe naar buiten moet brengen. Jouw eieren.

Eieren. Hmm. Zo heb ik er wel wat. Zo van die dingen die er soms, tegen wil en dank, uit dreigen te floepen. Woordmopjes, om maar iets te noemen. Zo van die dingen waarvan je denkt dat geen kat er iets aan heeft. Niets vernieuwends, niets waar je de wereld beter mee maakt. Wat doe je daar dan mee? Niets. Ah nee. Want Dingen moeten Betekenis hebben. Dus heb ik jaren stilgestaan. Knauwend op Mijn Hogere Doel. Eerst een strategie, dán aanvallen. Eerst mijn ei ontdekken. Dat ei waarmee ik naar buiten kon komen. Dat ene ei dat de moeite van het uitbroeden waard was. Want ik ging ervan uit dat je eieren uit moet broeden. Altijd. Er lang op gaan zitten, er veel aandacht aan schenken. Totdat er een machtig schepsel uit ontstaat. Iets wezenlijk waarmee je de wereld verandert. Dát ei, dat moest ik leggen. Dat ding waarvoor ik geschapen was.

Ik heb lang in mijn hoofd geleefd. Maar terwijl ik mijn hersens zat te breken op dat Ene Grote Ding, barstte mijn buik van de eieren. Ik kon niet anders, ze floepten eruit. Woordmopjes, schrijfsels, reclamewerk,…. Mijn dagen vulden zich gulzig totdat ze overliepen. En dat doen ze nog steeds. Maar ik ben lichter. Mijn buikpijn is weg en mijn hoofd ontploft niet meer. Ik doe maar wat en vind het leuk. En het mafste is: met mijn hoofd op snooze komen mijn dromen dichterbij. De wereld die ik mezelf wens, wordt helderder met elke dag. Mijn doel ontvouwt zich met de uren.

Vroeger, lang voordat ik er de leeftijd voor had, probeerde ik mijn pad te zien. Waar ik toen de weg zocht alvorens stappen te durven zetten, loop ik nu het wilde weg in. Met een spoor van eitjes als graankorrels achter me aan. Wie míj wil hebben, die vindt me zo. Dat merk ik elke dag. Level na level. Op weg naar de laatste poort.

Dus. Zit je met een ei? Leg het. De wereld heeft er nood aan.

’t Is bijna Pasen.

eierenvoorpasen

Cafeine viert² !

Liefste.

De kater komt.
Reality check: check.
Dorst.
En nu ga ik.
Ouder, niet wijzer.
An (in)finite loop.

ps: Wanneer gaan we nog eens fietsen? (*)

15820354_10154848355878766_1085600970_n

(*) De start van 2016 was de start van Cafeine.
De start van 2017 vatten we graag samen aan de hand van blogposttitels en – beelden.
En ja, wij gaan voort. Iedere twee weken. 
Wie blijft er mee wakker? 

Veel creativiteit, liefde en al wat je jezelf voor 2017 toewenst!

Tot gauw,
Jasper en Ine

ps: Onze posts verschijnen voortaan op dinsdag i.p.v. op vrijdag

An (in)finite loop

31 oktober, 7u ’s ochtends. Ik droom je. We lopen bladerend door de herfst. Het lijkt alsof je terug bent, maar ik vergeten ben van waar. Ik vraag je hoe het met je gaat. “Goed”, zeg je. Je glimlacht.

“Hij was een super goeie gast, maar deze aardbol draaide te snel voor hem”. Dat was je laatste diagnose, gesteld door een vriend. Ze priemde door het scherm van mijn smartphone. Exact één jaar geleden. Ik vroeg je waarom je in mijn leven was gedoken, om net daarna abrupt te verdwijnen.

De zon schijnt. Alles is simpel. Er is een trouwfeest om de hoek. Ik moet erheen maar doe het niet. Jij bent hier en het is zo lang geleden. Ik vraag je hoe het met je gaat. “Goed goed”, zeg je.

Ik dacht veel na sinds toen. Want stel nu dat het niet zo was. Van die aardbol. Stel nu dat zij die in de kantlijn staan, net buiten het systeem, daar niet staan omdat ze niet meekunnen met de rest. Stel nu dat ze snéller zijn. Dat ze kilometers vooroplopen, en meer zagen dan wij. Dat ze niet puffend hebben afgehaakt, maar wachten tot wij bij zijn. Dat ze hopen dat wij het ook zullen zien: de wedren zonder einde. Het lopen om het lopen zelf. Stel je voor. En wij maar proberen om hen mee in onze pas te trekken.

Ik vraag je hoe het met je gaat. Maar écht. “Goed. Heel goed.” Je zegt het met een rust die pure eerlijkheid verraadt. Dan lopen we een supermarkt in. Jij scheurt verpakkingen open. Eet snoepjes op in alle kleuren. Stopt er enkele in je zak, zonder te betalen.

Hoe eenzaam moet dat zijn. Dat je de mensen als gekken door een molen ziet lopen, voortdurend elkaars geluk afschermend. Dat je erbij staat, ernaar kijkt en er niets aan kan doen. Dat zij joú raar vinden, omdat je niet plooit. Want dat is wat zij doen. Plooien. Gevormd door de angsten van een ander, verblind door projecties van de massa. Ze dansen naar de pijpen van bloedzuigende bazen. Vechten tegen een lichaam dat schreeuwt om rust. Zwijgen wanneer er gesproken moet worden, spreken wanneer er geluisterd moet worden.

Ik wil naar buiten. Kan niet weg. Er staan twee vrouwen voor de schuifdeur aan de uitgang van de winkel. Eentje houdt een pistool op mij gericht. Ze schiet, recht langs mijn hoofd. Ik ben doodsbang, maar ze laat me gaan. Binnen raast paniek.

Stel je voor. Dat ze hun angsten en excuses voorgoed zouden doorprikken. Dat ze de tralies zouden zien die hen binnen het systeem houdt. Stel dat ze massaal hun slachtofferrol naast zich neer zouden leggen. Fuck you zouden doen naar zelfzuchtige bazen. In bed zouden kruipen als hun lijf daarom vroeg. Misdadigers van hun voetstuk zouden schoppen. Hun leven in eigen hand zouden nemen. Oh nee, god nee. Ze zouden maar eens gelukkig moeten worden. Lafaards. Mijn vrienden, mijn naasten. ’t Zijn godverdomme allemaal lafaards.

Buiten vrees ik dat ik je nooit meer zal zien. Dat de vrouwen het snoep in je zakken zullen vinden. Dat hun schot je niet zal missen.

Ik vroeg je waarom je in mijn leven was gedoken, om net erna abrupt te verdwijnen. Maand na maand bleef je me antwoorden sturen. Je leerde me om boos te zijn. Om mijn verlamming via woede van mijn lijf te schudden. Door jou heb ik mijn kracht ontdekt. Een explosieve bom die mij ’s ochtends uit mijn bed knalt. Een storm die mijn leven vooruit stuwt. Nooit was ik zo razend. Nooit zo gedreven.

Mijn blik is stevig op de schuifdeur gericht. Af en toe loopt er bedrukt iemand naar buiten. En dan ben jij daar plots. Je loopt rustig door de deur. Niet de schuifdeur waar ik angstig mijn blik op gefixeerd had. Die andere deur, een meter ernaast. Een deur die wagenwijd openstaat. Voor iedereen die ze ziet.

Nooit zo vrij.

aninfiniteloop2

Reality check: check!

Ik zit te werken aan een klaptafel, mijn improbureau. Vóór mij is alles groen, in de verte wordt een boom gezaagd. Sinds dinsdag woon ik in de Ardennen. Ik huur een studio bij een koppel dat van Turnhout naar Muno trok, weg van alle stress. Ze houden niet van de stad. Ik wel, maar niet altijd. Niet als mijn hoofd bonst van ideeën en ik broed op nieuwe plannen. Niet als de zon en zomerse vrienden mijn werklust in de weg zitten. En vooral: niet als ik me bewust word van mijn induttende omstanders, roerloos bij de kansen die ze met elke stap vertrappelen. Geeuwen werkt aanstekelijk, en ik wil wakker blijven. Focussen. Zes weken lang. Mij volledig concentreren op het project waar ik van droom.

*PING*. Mijn telefoon. Annelies, in de WhatsApp-groep “Reality Check!” : “Waar zijn die handjes?”. Ik lach stilletjes en check mijn vingers. Tien. Ja, ik ben wakker.

Een week geleden was ze bij mij op bezoek, samen met Liesbeth. Het gesprek kwam op lucide dromen: dromen waarin je plots beseft dat je droomt en dan álles kan gaan doen wat je maar wil. Vliegen, bijvoorbeeld, om maar iets te noemen. ’t Is een bizar, bevreemdend en in het begin zelfs soms beangstigend fenomeen, maar het is vooral heel bijzonder. Ik raad het iedereen aan. En de meesten die erover horen, raken vanzelf geprikkeld. Zo ook mijn bezoekers. Ze wilden het leren. En dan zijn -naast het bijhouden van een dromendagboek- de frequente reality checks één van de belangrijkste technieken. Je moet jezelf de gewoonte aanmeten om je af te vragen of je je in een droom bevindt. Uiteindelijk zal je onderbewuste die gewoonte ’s nachts overnemen. Maar aangezien de droomwereld absurd echt aanvoelt, is alleen de vráág of je droomt niet voldoende om lucide te worden. Naar je handen kijken is een goeie truck, omdat die er in dromen nooit normaal uitzien. Of naar je spiegelbeeld als je water passeert, omdat je in een droom altijd vervormd lijkt. Een goeie teaser voor een reality check ook: telkens wanneer je in je wakkere leven iets afwijkends ziet (een bizar gebouw, of een clown voor je raam omdat je buur een nieuwe hobby heeft).

Maar dus. Vandaar. “Waar zijn die handjes?”. Ik leg mijn telefoon neer, sluit mijn laptop. Het is midden op de dag en ik heb al hard gewerkt. Als ik straks wil kunnen koken, moet ik dringend naar de winkel. Ik stap op mijn fiets, 14 Ardense kilometers in ’t verschiet. Dat op zich is al genoeg voor een reality check. Zeldzame dorpsbewoners groeten me hartelijk (RC!) doorheen mijn eerste minuten. Dan fiets ik tussen bomen, bloemen en luide vogels (RC!) doorheen de RAVeL naar Saint-Cécile. Een dik uur later kom ik aan in Florenville, als schaars geklede zweetster te midden van ingeduffelde locals (RC!). Ik stop bij een grote Intermarché. Doe mijn boodschappen. Loop -op één personeelslid na- alleen door de winkel (RC!). Ik eet een appel, spring op mijn fiets, verlaat Florenville en rijd de bossen weer in. De laatste persoon die ik voor lang passeer, zit verderop op een bankje. Een stokoude man. Met vuur in zijn ogen zingt hij me “bonjour!” toe. In zijn hand houdt hij bloemen, een immense tros. Versgeplukt. Nee, ik droom niet. Ook niet als ik even later de wind driftig langs mij heen voel zoeven nadat ik de daling naar Chassepierre heb ingezet. Ik ben wakker. Ik leef, en ik ben wakker.

Een uur later ben ik thuis. Ik douche, kook, eet, loop nog een toertje door het dorp en kruip weer achter mijn klaptafel. Mensen spreken mij aan op Facebook. Ik klik onzinnige, sluwe sites open. Laaf me aan wat non-nieuws. Plots is er een uur voorbij. Ja. Ook hier, in deze uithoek van het land, ook hier kan ik vergeten waar ik ben. Ook hier, naast mijn laptop, dreigt het leven mij in slaap te wiegen.

*PING* Liesbeth in “Reality Check!”: “Hoe ist daar in the ardens?”

Ik schrik, kijk naar mijn handen. Tien vingers, boven mijn klavier. “Wakker,” denk ik. “Wakker!” antwoord ik. Terwijl ik het typ, overvalt mij de slaap. Ik klap mijn laptop dicht en kruip in bed.

“Nu maar hopen dat ik het blijf vannacht. Slaap zacht.”

laos3