De kater komt

ik heb gedanst op de aarde
samen met miljoenen
in een klaterend gelag
een roes van beats
miljarden per minuut
ik heb gesprongen en ik sprong
met een pil tegen de pijn
ik kreeg een regenboog cadeau

en de aarde maar loeien
en wij maar dansen, haar sirene
ons geweten verdunnend met bier
tot de scheuren in ons hoofd
stilte braakten
daar waar stilte niet bestond
niet eens een naam had
zelfs geen woord was

in mijn been bonkt nu de slaap
in boter zal ik rusten
terwijl zij zullen ontwaken
het licht aandoen
dat wij hebben gedoofd
met stoffers en blik
en heel veel water
redden wat er te redden valt

maar nooit genoeg water
om deze brand te blussen
nooit genoeg meer
om de aarde te lessen
leep lieten wij hen
-gelukkig- onze tranen
ze zijn nog te jong
om niet te kunnen huilen

met die laffe hoop
raap ik mijn blikken bij elkaar
en ga
met mijn verzuurde lijf
mijn houdbaarheid voorbij

laos4

Advertenties

Assepoester v2 – 2016

Schoentjes gepast, vloeren gepoetst, bossen beschilderd, op tanden gebeten, insecten gevoed, honing geproefd, schurken gevloerd, pennen gelikt, wortels getemd, trommels getroond.

Ze had alles geprobeerd om iemand te zijn. Er was niets meer over. De lijst was af. Ze wist niet waar te beginnen nu ze het einde had gehad. Alle wegen leidden haar tegen en haar benen hielden voet bij stuk. Ze wilde dat ze ergens naartoe werd gezogen, of er van weggetrokken misschien, maar geen enkele kracht keek naar haar om. Ze kwam geen zandkorrel vooruit.

Alle tijd, die had ze. Dus ging ze denken, ging ze kauwen. Tot haar haar grijs was en haar tandvlees blauw. Tot ze verdwaald was in een doolhof van muren die ze zelf gebouwd had. Met het boetseren van haar brein had ze zichzelf ingemetseld. Nu moest ze uit zien te breken. “Een plattegrond!”, droomde ze even. Maar ze wist dat de aarde rond was en in sprookjes geloofde ze niet. Ook een kompas zou haar niet helpen want de wind was gaan liggen en de zon met het noorderlicht vertrokken. Er was dus maar één weg: álle wegen door. Elk pad begaan, van boom tot boom, wolk tot wolk, schurk tot schurk. Op haar stappen letten. En niet vergeten waar ze geweest was. Nooit vergeten waar ze geweest was. Dan moést ze er wel komen. Daar bij de rand, op de grens van een bestaan dat ze probeerde te vermoeden.

Het ging van lopen over huppelen naar strompelen tot kruipen. Nu ben ik er geweest, dacht ze. Overal was ze geweest. De wirwar van wegen: alles had ze uitgekamd. Elk pad had ze belopen, elk kruispunt overdacht. Wikken en wegen, schudden en schoppen, niets had haar een uitweg getoond.

Ze moest het vergeten. Alles vergeten. Niet meer kauwen, niet meer denken. Geen uitgang zoeken, niets meer willen, niemand zijn. Wel lopen, blijven lopen. Dat was haar nieuwe plannetje. Bewegen. Platgetreden paden begaan. Opnieuw en opnieuw. Tot ze door de grond zou zakken. Ze moest zo vaak dezelfde paden bewandelen dat ze zouden breken onder haar gewicht. Dan zou ze vallen, uit haar hoofd. Dat was het enige wat haar te doen stond. Vallen. Wie weet zelfs uit haar lijf. Kon dat? Kon ze iemand zijn buíten zichzelf? Ze popelde.

Insecten gevoed, schurken gevloerd, trommels getroond.
Ze had alles geprobeerd om iemand te zijn.
Maar probeer maar eens te vallen.

assepoesterdef

Glaucoom

Ara was er zelf nog niet eens geweest, of de ideeën over wie ze zou gaan worden hadden al aan de binnenkant van vele voorhoofden gekleefd. “In verwachting”, was haar moeder geweest. Iets meer dan negen lange maanden. Daar was het dus begonnen. Toén al was ze het personage in honderden boeken geweest, tóen al dachten mensen haar toekomst te kunnen vermoeden. Ze was bedacht geworden door haar omgeving, en ook na de geboorte zou ze nog voortdurend worden heruitgevonden. De persoon die ze zou denken te zijn, zou altijd slechts een doorsnede zijn van wat de anderen in haar zagen. Net zoals bij iedereen.

Na eenendertig jaren op deze wereld, meende Ara haar weg te hebben gevonden. In Het Land der Verwachtingen is de kameleon koning, dacht ze. Dus zonder kleur te bekennen, glipte ze van noord naar zuid en van oost naar west. Zo goed als ze kon probeerde ze te zijn wie ze dacht te moeten te zijn. Want de mensen wilden iets van haar, dat spuwden hun blikken. Het dampte in de lucht, sidderde door de straatstenen als kwam er net een trein voorbij. Maar ze wist begot niet wat en hoe. Er scheen een code te bestaan waar zij niet bij kon. Olleke bolleke riebesolleke, olleke bolleke knol. Telkens wanneer ze in de buurt verscheen, frommelde iemand het haastig weg. En ondertussen sloegen ze haar pogingen gade, keken smartelijk hoe ze de bal missloeg.

Dat was hoe het voelde. Ze moésten iets van haar. Ze waren Één Groot Oog, altijd op de loer. Het was Het Oog van een massa zonder gezicht, dat zich schuilhield achter elke hoek. Maar het was ook Het Grijnzende Oog van haar collega’s, wanneer ze ’s ochtends haar outfit uitkoos. Het Berispende Oog van haar moeder, als ze haar kinderen te bruut in bad zette. Het ontgoochelde Oog van haar vrienden, als ze ’s avonds besloot niet op café te gaan. Het Ongeleste Oog van haar man, als ze naakt in de spiegel haar sinaasappelhuid bekeek. Het was een Gigantisch, Genadeloos, Slorpend Oog.

Ze moest weg. Ara moest uit dat blikveld, dat haar steeds dieper de grond induwde. Als een kind, wilde ze zijn: ik zie hen niet, zij zien mij niet. Weg van iedereen, vrij van alle voorschriften. Dus liet ze alles achter. Ze begon te lopen, landen door en bergen over, tot ze alleen nog met zichzelf was. Ze zuchtte, dankbaar om het feit dat ze niemand meer moest zijn. En toen, vanuit een soort van niets, was het daar plots weer. Dat Onverbiddelijke Oog, hardvochtiger dan ooit. Priemend bij alles wat ze deed. Wat moest het hier? Er was toch niemand meer? Het zoog haar naar zich toe, maar ze draaide zich weg. Pas weken later, bekaf van het verstoppen, kon ze niet anders dan zich over te geven. Ze liet zich zinken in de blik die als een volgspot boven haar hoofd hing. En toen zag ze het. Midden in de iris, zat een meisje op een kruk. Geen vriend, niet haar kind, geen moeder, niet haar man. Het was Ara. Ze zat zichzelf te ver-wachten. Haar eigen potentieel uit de boom te kijken, tot het zijn houdbaarheidsdatum ver voorbij zou zijn. Het was alleen zijzelf geweest.

Het Oog knipoogde, en Ara lachte voorzichtig terug. Van ergens diep vanbinnen, kwam een meisje van haar kruk. Ze ademde diep, wierp haar armen in de lucht. Als een gordijn trok ze het ooglid zachtjes dicht.

oog3