Moe, moeder.

Of ik drugs nam, wilde hij weten. Nee. Of er misschien iemand iets in mijn drankje had gedaan? Onmogelijk. Niet gefeest het afgelopen weekend? Nope. De lange witte jas met bril erbovenop staarde lang naar de cijfers op het blad. 1365. Dat was veel. Zeker gezien de bovengrens van 32. Op school zou zo’n prestatie heroïsch geweest zijn, maar voor deze test bleek ik resoluut gebuisd. Mijn lever had gefaald. Na nog wat gissen en missen viel uiteindelijk de diagnose: auto-immune hepatitis B. Het kind had een naam. Mijn kind.

Ik was 16,5 en een slechte moeder. Ik wilde geen kind. Zeker dít kind niet: weerbarstig, opdringerig, assertief, agressief. Het kwam ongevraagd mijn leven binnen en ging genadeloos in de aanval. Maakte mijn lever kapot, legde mijn hele wezen lam. Ging los tegen mijn stroming in. En trok een dik rood kruis over mijn zelfverzonnen toekomst, bijeengedacht door de stemmen in mijn hoofd. De toekomst waarin ik Iemand zou Zijn. Waarin ik zou buigen voor de mensheid, maar enkel onder luid applaus. Waarin ik mijn ego alle groeikansen zou bieden. Die luchtbel van een toekomst waar ik zo op was gericht.

Het kind moest weg. Zo snel mogelijk. “Hmmm…oeilijk”, aldus de witte jas met bril. Maar verstopt, verdoken, verdrongen moest wel lukken. De wetenschap kon veel. Hij schonk me doosjes cortisone: bijzonder effectief tegen dwarse kinderen. Houdt ze klein, drukt ze plat, verloochent hun bestaan. En inderdaad. De schreeuw om aandacht werd gewetenloos gesmoord. Het kind in mij verdween. Jaren en jaren en jaren.

Jaren en jaren kropen voorbij. De cortisone kwam haar tol eisen: vochtophoping, broze spieren, blauwe plekken, dunne huid. Dit was ook niet wat ik wou. Ook dit moest weg. “Hmmm…oeilijk”, aldus de witte jas met bril. Nu ook met mond vol tanden. “Heel moeilijk.” Ik had maar één keuze. Minder cortisone, meer kind? Minder kind, meer cortisone? Ik wikte en woog en nam een flink besluit: minder cortisone, meer moeder. Zo hoort dat, als je ouder bent.

Ik leerde ze tot stilte manen, de stemmen in mijn hoofd. Ik leerde luisteren naar dat kind van mij. Horen wat het te zeggen had. Zijn bestaansrecht te omarmen. Want ja: het was ongevraagd mijn leven ingekomen. Had mijn lever kapot gemaakt en heel mijn wezen lamgelegd. Maar het was niet gekomen om te vechten. Het kwam om te beschermen. Om de strijd te staken die al lang in mij woedde. De strijd van wie ik kon zijn versus wie ik dacht te willen zijn. Mijn kind kwam om te breken. Mijn zelfverzonnen toekomst. Mijn dammen. Opdat ik eindelijk zou stromen. De enige juiste kant uit. Weg van alle weerstand.

Ik dacht dat ik een doder had. Lang leve mijn lever.

voorine

Advertenties

“Nooduitgang gezocht” – het begin van een heldentocht.

Hallo? Hállo? Mag ik even jullie aandacht? HALLOOO? Kan iemand mij zeggen waar de uitgang is? IEMAND? Nee?

De uitgang. Ik loop er al jaren op te zoeken. Tussen mijn hersens, langs mijn keel, via mijn hart, door mijn buik. Tot helemaal in mijn tenen. Ik draai cirkeltjes in mijn lijf en ik kom er niet uit. Wie zou ik toch zijn buiten mezelf? Als ik mijn eigen uitgang had ontdekt? Kan ik hem bedenken, hem uittekenen en er dan doorheen stappen? Zou het zo simpel kunnen zijn?

Ik ben op tocht geweest. Ik heb het gevraagd aan iedereen die ik tegenkwam. Eerst bleef ik een tijdje in mijn hoofd hangen, maar daar liep ik tegen muren. Het enige antwoord dat ik kreeg, kwam van mijn eigen echo. “Waar is de uitgang?”, vroeg ik. “Waar is de uitgang?” antwoordde ik. En dan luider: “WAAR IS DE UITGANG?”, vroeg ik. “WAAR IS DE UITGANG?”, antwoordde ik. Tot op een dag de muren braken onder al dat geroep. Ik schopte stenen en brokken geschiedenis opzij, slikte mezelf in –nadat ik eerst enkele maanden op mezelf had zitten kauwen- en schoof zo in de richting van mijn hart. Daar was alles warm en zoet. Er zat een vrouwtje aan de kachel met thee en koekjes en ik ging aan haar knieën tegen de schommelstoel zitten, mee naar het vuur kijkend. Het was er zo goed dat ik bijna vergat wat ik zocht. Maar goed gaat ook vervelen. Dus nadat ik weken wat moed van het tapijt had geplukt, vroeg ik het haar: “Waar is de uitgang?”. Ze glimlachte en antwoordde zacht:

“Alles komt altijd goed.”

Het was niet eens een antwoord. Het was een stelling waar ik niets aan had, die me geen millimeter dichter richting uitgang duwde. Ik wilde niet dat alles altijd goed kwam want alles wás al goed en goed gaat ook vervelen. Dus ik vertrok. Ik had wat te verteren dus schoof verder richting buik. Zo kwam ik bij mijn lever terecht, alleen wist ik dat nog niet. Er lag van alles op. Een hele stapel woorden. Woeste woorden van “IK HAAT JE” en “IK BESTA WÉL” en “STOMME STOMME EGOÏST”. Als een toren lagen ze op elkaar en blokkeerden ze de weg. Wilde ik verder, moest ik iets met die woorden zien te doen. Eerst dacht ik ze op te eten, maar dat deed ik al eens eerder en dat had toen geen succes. Ik moest en zou ze naar buiten krijgen, dat was de enige weg. Maar ja. Ik wist niet waar de uitgang zat. En aan mijn lever iets vragen, bleek dus ook geen optie. Zo zat ik vast. Jaren en jaren. Geklemd tussen gegiste woorden. Met de tijd waren ze rijper en bitterder geworden. En bijtend, bijtend zuur. Wat moest ik? Ik kon nog maar één kant uit: terug vanwaar ik kwam. Het vrouwtje in mijn hart. Maar ik wist al wat haar raad zou zijn. Vier woorden.

“Alles komt altijd goed.”

Tja. Het moest dan maar.

deuitgang.jpg

Eieren vóór Pasen

Vroeger, lang nadat ik er de leeftijd voor had, had ik een Game Boy. Color. Én een spelletje: “Chicken Run”. Als leading kip moest ik een spoor van zaadjes droppen, waarmee ik de andere kippen richting uitgang lokte. Pas als elke kip verdwenen was, kon ik er zelf achteraan. Zo kwamen we allemaal samen -level na level- dichter en dichter bij de poort naar de vrijheid. Dwaas spel. Uuuren gespeeld.

Onlangs zat ik thee te drinken met een vriendin, terwijl om ons heen van ontbijtgranen en eitjes werd gesmuld. Ik vertelde haar over een toekomstig project, iets met studiekeuzehulp bij laatstegraadsstudenten. Zij vroeg me of ik ooit van “coretalents” had gehoord, een methode waarbij men uitgaat van wat 100% “jou” is. Dat wat diep in jou zit en je -voor je eigen goed- af en toe naar buiten moet brengen. Jouw eieren.

Eieren. Hmm. Zo heb ik er wel wat. Zo van die dingen die er soms, tegen wil en dank, uit dreigen te floepen. Woordmopjes, om maar iets te noemen. Zo van die dingen waarvan je denkt dat geen kat er iets aan heeft. Niets vernieuwends, niets waar je de wereld beter mee maakt. Wat doe je daar dan mee? Niets. Ah nee. Want Dingen moeten Betekenis hebben. Dus heb ik jaren stilgestaan. Knauwend op Mijn Hogere Doel. Eerst een strategie, dán aanvallen. Eerst mijn ei ontdekken. Dat ei waarmee ik naar buiten kon komen. Dat ene ei dat de moeite van het uitbroeden waard was. Want ik ging ervan uit dat je eieren uit moet broeden. Altijd. Er lang op gaan zitten, er veel aandacht aan schenken. Totdat er een machtig schepsel uit ontstaat. Iets wezenlijk waarmee je de wereld verandert. Dát ei, dat moest ik leggen. Dat ding waarvoor ik geschapen was.

Ik heb lang in mijn hoofd geleefd. Maar terwijl ik mijn hersens zat te breken op dat Ene Grote Ding, barstte mijn buik van de eieren. Ik kon niet anders, ze floepten eruit. Woordmopjes, schrijfsels, reclamewerk,…. Mijn dagen vulden zich gulzig totdat ze overliepen. En dat doen ze nog steeds. Maar ik ben lichter. Mijn buikpijn is weg en mijn hoofd ontploft niet meer. Ik doe maar wat en vind het leuk. En het mafste is: met mijn hoofd op snooze komen mijn dromen dichterbij. De wereld die ik mezelf wens, wordt helderder met elke dag. Mijn doel ontvouwt zich met de uren.

Vroeger, lang voordat ik er de leeftijd voor had, probeerde ik mijn pad te zien. Waar ik toen de weg zocht alvorens stappen te durven zetten, loop ik nu het wilde weg in. Met een spoor van eitjes als graankorrels achter me aan. Wie míj wil hebben, die vindt me zo. Dat merk ik elke dag. Level na level. Op weg naar de laatste poort.

Dus. Zit je met een ei? Leg het. De wereld heeft er nood aan.

’t Is bijna Pasen.

eierenvoorpasen

Krasjes op de ziel, blaasjes op de dikke darm

“Goeiemorgen Anita!”

Ze staat met haar grote lichaam in een kleine, huisjesachtige serre. Het is de vrouw van het gebouw waarin mijn gehuurde Ardeense studio zich bevindt. Ze maakt zachte bewegingen, om de plantjes en de sla niet op stang te jagen. Ik passeer haar als ik in de tuin wat verse tijm ga plukken, want sinds de zomer zich heeft aangekondigd, is mijn lichaam van de kaart. Eergisteren vertrok mijn stem. Van Anita kreeg ik theetjes met citroen, Vicks om te dampen en tabletjes voor de luchtwegen.

“Ah, hallo! Al beter? Precies wel hè, ik hoor geluid!”

“Ja ja, stilletjes aan… Dankzij jouw goede zorgen!”

Terwijl mijn ene been alweer aan wandelen begint, vraag ik nog snel uit beleefdheid of met haar alles oké is. Ik verwacht haar standaard “ja”, maar krijg een twijfelde “bwoa…”. Mijn been trekt zich terug. “Oei?” “Sinds kort heb ik weer last van diverticulitis.” Divertiwát?! Ze lacht om mijn non-verbale reactie. Iets met ontstoken blaasjes op de dikke darm, legt ze uit. “Niet fijn. Veel pijn, maar vooral: een oersaai dieet. Rijst, pasta en gekookte kip. En dat een hele maand.”

De oorzaak zou vaak –zo had ze onlangs gelezen- een emotionele shock zijn. Dat verklaarde iets. De eerste keer dat ze ermee te maken kreeg, nu enkele jaren geleden, lag haar man in het ziekenhuis met ernstige kanker. “Ik stond op het punt voor hem nog wat inkopen te doen, toen ik zelf in een ambulance belandde.” We lachen een beetje om de gekke situatie. Zij samen in het ziekenhuis. In dezelfde gang, maar tegenover elkaar (strikt gescheiden beleid en zo). “Weet je…,” ze pauzeert, slikt. Ademt diep. “Sindsdien…. Elk jaar rond deze tijd komt het weer boven. Elk jaar weet ik dat het eraan komt. Die vreselijke maand. Geen fruit, geen groenten, niets van mijn eigen oogst. Ooooh, mijn aardbeitjes…. Élk jaar opnieuw.”

Beiden kijken we verzuchtend naar de tuin vol verse vruchten. Dan zie ik hoe ze haar hand naar haar oog brengt. Hoe een traan van haar wang naar beneden loopt. En nog één. Het lijkt alsof de aarde onder mijn voeten verschuift. Deze sterke vrouw. Een stevige brok Kempisch vlees. Die zich -ondanks haar pijnlijke benen- dagelijks vol liefde te pletter werkt in haar tuin. Die de wereld onder haar vleugels neemt maar zelf geen hand boven haar hoofd duldt. Die moeder kloek. Daar staat ze, te midden van haar kwetsbare plantjes, in een poging zichzelf te verstoppen.

Een stilte bevestigt wat we beiden voelen. Dat ons lichaam zoveel meer weet dan wij. Dat we zelf de koordjes in handen hebben, maar nauwelijks weten hoe ze te bedienen. “Ik weet het wel,” zegt ze. “Er is ergens iets waar ik niet klaar mee ben. Maar ik kan het niet. Niet nu nog allemaal.” En op dat moment breekt er ook iets in mezelf. In het hart van een jonge vrouw die al meer dan 10 jaar met haar lever in het reine tracht te komen. Ik ben bijna 29. Er is al veel gebeurd, ik heb geleerd en gevoeld, en ik heb nóg een zee van tijd. Zij is rond de 60. Wie opent dan de doos van Pandora nog graag?

Terug binnen maak ik mijn tijmthee klaar. Een herkenbaar ongeduld raast hardnekkig door mijn lijf. Als een onbestemde vijand bonkt de eeuwige vraag op de muren van mijn hoofd. Wanneer? In hemelsnaam: wanneer? Wanneer zal het tij gaan keren? Wanneer zullen kleintjes weer zien waar groten blind voor zijn geworden? Wanneer spreekt de jeugd de taal van ons lichaam opnieuw? Er is nog zoveel werk te doen. In een wereld waar zieken achter glas worden gezet, bestudeerd en bestempeld door onbesmette zielen. Waar voortdurend in wij versus zij wordt geleefd. Zij: de depressieven, de gekken, de hyperactieven, de zwakken. Maar het is als met de bal die onder water wordt geduwd. Hoe langer wij, hun zij, in een hokje worden geplaatst, des te forser we in hun gezicht zullen weerkaatsen. Nog méér burn-outs, méér kanker, méér psychiatrie. Want wij zijn niet de ziekte. Wij zijn de symptomen van een ontwrichte maatschappij. En net zoals je ziektes niet uitroeit door hun symptomen te onderdrukken, zal de wereld niet genezen voor ze haar “outsiders” omarmt. Zij moeten luisteren. En wij moeten spreken. Aan beide zijden van het glas hebben we onze verantwoordelijkheid te nemen. Dat zijn we verplicht.  Aan onszelf. Aan hen. Aan de komende generaties.

Aan Anita.

c9db61d7-cee5-4619-828f-24ca906c98e5

Re: Aan mijn zestienjarige zelf

Beste Ine,

Je brief heeft me gevonden. Ik heb hem met zorg gelezen, meermaals. Ik wil je bedanken. En ik denk te voelen wat jij voelt, of voel te denken wat jij denkt. (Sorry, het verschil leren tussen voelen en denken is een complex proces waar ik nu nog niet aan toe ben).

Je wilde me waarschuwen voor wat zou komen. Of beter: geruststellen. Me zeggen dat het moeilijk zou worden, maar dat het uiteindelijk allemaal goed zou komen. En ‘t doet me deugd te weten dat het goed met je gaat, echt. Dat je zelfs dankbaar bent voor wat je doorleefd hebt. Je woorden barsten van vertrouwen. Maar doorheen je vertrouwen, lees ik veel verdriet. Verdriet omdat ik tegen duizend muren zal lopen, en jij daar niets aan kan doen. Omdat ik eindeloos veel energie zal steken in zaken die me niet dienen. Omdat ik amper zestien ben, op een zuchtje van wat de fleur van mijn leven moet zijn, te jong en te naïef om mijn eigen weg te kiezen.

Je zal het niet graag lezen, maar ik ben bang. Ondanks je vertrouwen, ben ik bang. Voor de bijtende frustratie, omdat ik opgesloten zal worden in een lijf waarvan ik zal roepen dat het niet van mij is. Om voor ’t eerst écht te beseffen hoe ver de impact van uiterlijk rijkt. Maar vooral… voor een afkickproces waar ik nog niet aan toe ben: me moeten bevrijden van de verslaving aan bevestiging. Een angst die nog te groot is om nu al overwonnen te worden. En omdat mijn glimlach niet meer voldoende zal zijn om te krijgen wat ik zoek, zal ik mijn grenzen zwaar te buiten gaan. Ik zal me opwerpen als vriendin. Er zijn voor mensen, ook op onmogelijke uren. Hen aanmoedigen in hun ideeën, ten koste van de mijne. Niet omdat ik van hen hou, maar omdat ik wil dat zij van mij houden. Ik zal bemiddelen, plooien, de liefste willen zijn.

Daarnaast zal ik meer schrijven. Het zal een manier zijn om me te tonen terwijl ik fysiek onzichtbaar blijf. Dat zal ik mezelf vertellen. In realiteit zal ik enkel tonen wie ik zou kúnnen zijn. Ik zal iets geestigs schrijven, of iets slims. Niet iets wat ik kwijt wil, maar iets waarvan ik hoop dat een ander het wil lezen. Want zolang ik de zieltjes uit mijn omgeving kan winnen, hoef ik me om het mijne niet al te druk te maken.

Die dingen dus. Exact waar jij me voor wil waarschuwen. Maar ’t is zoals je zegt: alleen ervaring kan me leren wat niet te delen valt. Ik moet erdoor. En dat is prima. Want zie je wat er gebeurd is? Je hebt geschreven. Mij. Niet om leuk te doen, niet om zieltjes te winnen. Om een reden die dieper gaat dan dat, en die we niet hoeven te vatten. En zo heb je een deur geopend. Je bent langs een pad gewandeld waar je nooit eerder liep, vanwege de doorns en de brandnetels. Het prikte. Maar je hebt gezien dat ik hier zat, met zalf voor je wondes. En je weet nu dat je het kan.

’t Is dus aan mij om joú te waarschuwen. Want ook al is het makkelijker en veiliger om binnen te blijven: doe het niet. Niet jij. Jij met je zucht naar gedeelde kwetsbaarheid. Be the change you want to see in the world, Gandhi-gewijs. En op een dag zullen de netels platgetrapt zijn. Op een dag zullen we pijnloos naar elkaar toe kunnen huppelen. Schrijf dus. Schrijf mij. Want ik, hier, nu, een zestienjarig dolend zieltje,

ik wil je lezen.

Tot gauw,
Ine

REill

Aan mijn zestienjarige zelf

brief aan mijn zestienLieve Ine,

De kans dat ik je stoor is groot. Omdat je bij een vriendin rondhangt, of braaf je huiswerk maakt. Omdat je op de fiets zit, of op msn. Omdat je toneel kijkt, of zelf speelt. Omdat je op je kamer naar muziek luistert. Of -en heel waarschijnlijk- : omdat je een gekke, complexe, arbeidsintensieve brief schrijft naar iemand van wie je houdt.

Toch ben ik hier.

Ik wil je waarschuwen. Want hoewel de voortekens al maanden om je aandacht schreeuwen, zal er binnenkort in je gezicht een bom ontploffen. Huiduitslag en een latent gebrek aan energie zullen geen pubertijdskwaaltjes maar symptomen van leverfalen blijken te zijn. Je zal een nieuwe stempel krijgen: auto-immune hepatitis B. Daarbovenop twee voorschriften: cortisone, en platte rust.

Je zal het eerst bijzonder vinden. Dat je iets hebt dat best serieus schijnt. Dat je niet naar school hoeft, voor láng. Dat de zetel in het salon tot jouw bed wordt omgebouwd. Dat er post, cadeautjes en massa’s bezoek voor je komen. Dat je geen énkele aflevering van De Slimste Mens hoeft te missen.

Het zal ook raar doen. De onderdrukte vermoeidheid zal je genadeloos overvallen. Je zal geen stap vooruit kunnen zetten, tenzij met ondersteuning. Je zal voortdurend honger hebben, door je strikte dieet: geen vetten, geen suikers, weinig brood. Tegelijkertijd zal je opblazen. De cortisone zal een ander mens van je maken. Het dartele, slanke meisje zal zich terugtrekken in een vochtophoudend lijf. Maar in de cocon van je thuis is het leven lief. Je zal weinig hebben om je druk over te maken.

Wekenlang zal het zo gaan. Je omgeving bezorgd, jij in zachte vrede. En net op het punt waarop de verveling dreigt te lonken, zal je lijf een tandje bijsteken. Stilaan zal je je klaar voelen voor de wereld buiten de deur. En eind juni zal het zover zijn. Na dik twee maanden thuis en vele dagen trainingswandelingetjes, zal je opnieuw op stap gaan met je vriendinnen. Je zal overdonderd worden door de impressies van de stad, maar je zal er nooit zo van genoten hebben. Je zal je voortbewegen zoals tienermeisjes dat van nature doen: frivool en licht, maar toch met ernst. Overtuigd van het feit dat dít de jaren zijn.

En dan zal zij naast jou komen lopen. Je lieve vriendin. Ze zal iets zeggen wat -onbedoeld- je eerste toekomst zal hypothekeren. “Moet je eens wat wééééten?” zal het klinken, heel verbouwereerd. Met draaiende ogen zal ze eraan toevoegen wat een andere vriendin haar net heeft toevertrouwd. Dat die: “never ever de straat op zou gaan als ze eruit zou zien zoals jij”. Dat ze “het gek vindt dat je je niet scháámt, zo met je bolle hoofd.”

Daar. Op dat moment, tussen de Leien en het museumplein, daar zal jouw bom ontploffen. Je zal subtiel in de ramen van een etalage kijken, en walgen van jezelf. Je zal ineen willen storten, willen verdampen of verbrokkelen. Tot bloedens toe zal je je tranen verbijten. Je zal je je eigen domheid kwalijk nemen. Je illusie dat het allemaal zoals vroeger zou zijn: jij gewoon Ine, diegene die je was.  Je zal hunkeren naar jezelf.

Terug thuis zal je de teugels laten vieren. In je kamer, op je bed. Waar je lieve mama je uren later hysterisch huilend terug zal vinden. Met een onvoorwaardelijke hartstochtelijkheid zal ze je troosten, zoals ze nog eindeloos veel vaker zal doen. Ze zal haar leven parkeren en jouw stuur overnemen. Telkens weer zal ze je dragen, bovenop zichzelf. Maar ook zij zal dingen zeggen die je boos zullen maken. Dat het zo erg niet is, met dat uiterlijk van je. Dat de mensen die ertoe doen, je vrienden zullen blijven. Dat het oké is om je beperkte energie alleen in leuke dingen te steken. En net als de dokter zal ze je blijven zeggen dat het allemaal gauw voorbij zal zijn.

Dat zal het niet.

Het zullen moeilijke jaren zijn. Jaren van weerstand en onmacht. Van onzekerheid en verdriet. Van vermoeidheid en frustratie. Maar het is waar: er zullen altijd mensen zijn die vurig van je houden. Veel zelfs. Meer dan jij zal willen zien. En op een dag zal je het snappen. Dat er niemand is die je klein probeert te houden, behalve dan jij zelf. Dat er niets is wat je voor de voeten wordt gelegd. Dat je zo vrij bent als je zelf wil zijn. Durft zijn. Die dag zal de wereld zijn loper voor je rollen. Daar zal het beginnen.

Ik zou naar je toe willen rennen, om het je nu al te vertellen. Om je de tranen te besparen, en veel verloren tijd. Om te roepen dat het goed is. Het zou vergeefse moeite zijn. Alleen ervaring kan je geven wat niet te delen valt. En maar best.

Daarom blijf ik hier, en kijk ik uit naar je komst. Met open armen zal ik je ontvangen. En dan zal ik je schrijven. Ik zal je schrijven om de kloof te dichten. En jij zal lezen. Zo zullen de jaren tussen ons in met elk woord verdwijnen. Alinea na alinea zullen we groeien en krimpen. Reiken en grijpen. Springen en bukken.

Totdat we samenvallen.

Liefs,

Je grote kleine Ine

Tussen 0 en +2

in-iedere-vrouw

“In iedere vrouw is een meisje gestorven, en in iedere man een jongetje”. Het zijn woorden van Koolhaas, de laatste die ik lees voordat ik mijn oordoppen in doe. Marc, de bovenbuur, is nogal een woeler. Bij de minste beweging kraakt zijn bed, dat pal boven het mijne staat. Ik weet niet veel van hem. Dat hij uit Limburg komt. Dat hij tegen de zeventig moet zijn. Dat hij hartpatiënt is, en een pacemaker heeft. Eén keer heb ik hem gezien, zo’n drie maanden geleden. Sindsdien alleen zijn zoon. Een stuk jonger dan Marc, een stuk ouder dan mij. Ik vraag me af of hij bij zijn vader woont. We kruisen geregeld in de gang. Praten doen we niet.

Voor mijn gevoel ben ik nog niet lang ingedommeld, wanneer ik alweer wakker schrik. Mijn kamer kleurt blauw van sirenes. Ik hoor vaag geroep, vermoed paniek. In een reflex trek ik mijn oordoppen uit. Limburgse flarden -de zoon- klinken tussen de stem van een defibrillator door. “Raak de patiënt niet aan. Schok wordt toegediend.” Mijn hart raast. Ambulanciers rennen tussen 0 en +2, ijlings langs mijn deur. Zonder het te merken ben ik rechtgesprongen. De situatie is kraakhelder. IJsberend probeer ik me rustig te houden. Mijn gedachten schieten weg naar nieuwjaar. Een vriend had mijn geweten aangesproken. Of ik goede voornemens had. Nee. Niet meer dan anders. Hij zou stoppen met roken, had hij beloofd. Oké oké, had ik bij wijze van toegift gezegd. De buren dan. Ik zou socialer zijn, te beginnen bij Marc en zijn zoon. Dichter bij huis kon het niet.

Dat was drie weken geleden. Plots kleven ze aan mijn huid. Plots voelt Marc, ergens ver van de wereld, akelig dichtbij. Plots trekt zijn zoon, snakkend naar leven, mijn lucht weg uit de gang. Hij is verward, ontzet, verloren. Ik wil iets doen, maar ben verlamd. Ik wil iets doen verdomme. Ik hoor hier niet te zijn, voel me een indringer in mijn eigen huis. Maar ik ben hier nu, dus laat me iemand zijn.

Een uur lang stommelt en bibbert de wereld, terwijl Antwerpen zachtjes slaapt. Een uur lang verzin ik mezelf een rol. Dan trekt het blauw de straat uit en barst het huis van leegte. “Ja?” Hij is er nog. De zoon telefoneert vanuit de hal. Ik zet mijn deur op een kier, voel een snijdende kou. “Ze zijn weg. Nee, ik niet. Op de gang. Ik ga hier wachten. Ik ga echt niet alleen terug naar boven nu. Nee, er is hier niemand, wie zou hier moeten zijn dan?” Ik slik. Ik ben er! Ik ben er! Laat mij er zijn!

Nog tien lange minuten ga ik voort met niet bestaan. Het ondraaglijke wachten is dodelijk voor twee. Dan beweeg ik, tegen mijn eigen verwachtingen in. Het is zijn onophoudelijk kreunen wat me de trap af zuigt. Daar staat een jongetje naast de deur, hoofd op zijn borst. “Hey. Kan ik iets doen?” Het ontsnapt me ongemakkelijk. “Nee. Ik heb mijn broerke gebeld. Alleen durf ik niet naar boven nu.”  Ik moet méér, ik heb nog niet genoeg, kan nooit genoeg…. “Je kan ook bij mij wachten? ’t Is zo koud hier…. Of ik kan thee voor je zetten?” Toe dan, kom bij mij binnen. Alsjeblieft, drink een kop thee. Of wacht, wil je dat ik mee naar boven loop?  Ik zal je hand vasthouden. En ik heb een schouder, als je wil huilen. “Nee. Als ik iets nodig heb, kom ik wel kloppen.” Ik druip af, sluit mijn deur. In het midden van mijn kamer staat een heel klein meisje. Ze heeft een pijntje aan haar hart en het is haar eigen schuld. Dikke bult.

Wat had ik dan gedacht? Dat ik ineens de held kon zijn, na weken tussen muren? Ik ril. Voel plots hoe koud ik ben. Ik kruip onder mijn dons, niet van plan te slapen. En daar lig ik, onbewogen. Elk kreuntje van de zoon trekt mij aan mijn oor. Samen wachten we op zijn broerke. Maar dan toch zak ik weg, zink ik in een diepe slaap. Mijn oordoppen liggen naast me, op het boek van Koolhaas. In iedere vrouw is een meisje gestorven, en in iedere man een jongetje.