EXTRA: #throwback28

Afgelopen weekend werd Ine 30. Net wat ze wou.
Bij wijze van traktatie, eentje uit de “oude” doos:



Achtentwintig.
(12-08-2015)

Dat is vier keer zeven, zeggen de tafels. Dat is precies wat ik nu ben, zeg ik. Het zit me als gegoten. Mijn mond en mijn benen, mijn tenen, mijn vingers: allen zijn ze achtentwintig. Mijn buik, die wel eens navelstaart en waar vlinders te snel sterven. Mijn ogen, vaak gesloten. Mijn keel, die ik moet openzetten opdat de dingen van mijn hart naar mijn hoofd zouden stromen. Dat moet ik nog leren.

Zeven keer vier, zeggen de tafels. Meer dan wat ik had, zeg ik. En minder. Ik heb een hoop gewonnen: geloof in dingen, spullen, mensen. Ik heb ook veel verloren: geloof in dingen, spullen, mensen. Er is alles wat ik in mijn handen hou omdat er al te veel van tussen mijn vingers is geglipt. Handen die ik tot vuisten sluit om op de tafel van potverdekke te slaan. Ik hou ze beter op een kier. Dat moet ik nog leren.

Ik pas al lang niet meer aan de tafel van twee. Ik ben gegroeid tot ik volgroeid was en toen groeide ik nog voller. Nu groei ik uit mezelf, van tijd tot tijd. Of uit elkaar, met anderen. En soms ben ik té groot. Dan hoef ik iemand groter die me zegt wat ik niet mag. En dat ik dan luister. Soms ben ik te klein. Dan hoef ik iemand kleiner die me toont hoe groot de wereld is. En dat ik dan kijk. Ik ben reuzig én peuterig. Stoer en slap. Lieflijk en schofterig. Mijmerend en vlak. Veel en weinig. Ik ben altijd met twee. Gezellig, maar dat moeten we nog leren.

Ik heb al iets geleerd. Ik heb geleerd dat ziekte maar een woord is zoals een stoel ook best een boot kan zijn, als je dat wil. Ik heb ook geleerd dat het niet waar is dat je jaren zomaar krijgt. Je moet er iets voor doen. Er zijn, de dingen nemen hoe ze komen, er het jouwe van denken, jezelf in bochten wringen om je daarna weer uit de knoop te halen, de wereld in stukjes breken en dan de puzzel leggen. Opnieuw en opnieuw en opnieuw. Tot je er iets van krijgt.

Ik kreeg vandaag een pakje. Het was achtentwintig.

Net wat ik wou.

14184293_736767073129557_7469484284532888408_n

 

Advertenties

Ouder, niet wijzer.

De dagen zouden in het ijle zweven waar ze cirkeltjes rond mijn hoofd zouden dansen. Er zou geen verleden aan mijn been kleven, geen toekomst onrustmakend op de loer liggen. Er zou alleen “vandaag” bestaan, en zelfs niet eens als woord.

Als tijd niet bestond.

De tijd heeft me 29 jaren geschonken. Nu vier ik. Ik vier wat gepasseerd is, en de kansen van morgen. Ik vier waar ik naartoe ga. Dat hij voor je ligt, dat zeggen ze, maar nooit hoe hij eruit ziet. Welke vorm, welke kleur, welk geur. Hoe groot, hoe lief, hoe lang. Hij zit me op de hielen, ademt in mijn nek. En toch is hij ongrijpbaar.

Oh toekomst.

Wat wil je dat ik doe? Zal ik rennen, stoppen, keren? Mee met alle winden? Lig je achter de zee? Voorbij de maan? Hoe zie ik je? Hoe zie jij mij? Ben ik gelaten, of net dapper? Doe ik het goed? Het juiste pad? Mocht het recht zijn: ‘k zag je liggen. Ik heb nog vele bochten te gaan. En wat dan nog. Jij bent altijd te snel voor mij. Te sluw. Een geest uit boze sprookjes.

Genoeg, jij spook.

Tot hier, en niet verder. Nooit meer bang nu. Want nee, ik kan het pad niet zien. Ik kan alleen de doorns verwijderen bij elke stap. De varens mijn gezicht uit duwen, stap per stap. En ja, ik heb het willen zien. De pijlen, de wijzers. Maar nooit meer bang nu. Vooruit zal ik altijd, dus blijf ik staan. Hier en nu is het altijd goed en dat de tijd haar ding maar doet. Met mij, voor mij, langs mij. Soms ook zonder mij. En dat alles naar me toekomt.

Dus kom maar op, jij spook.

Ik ga niet weg. Ik heb nog wel wat oordelen ja, en zal je vaak niet willen. Ik zal het pech noemen, of onmacht en in een slechte bui oneerlijk. Ik zal hout zoeken om pijlen uit te snijden en richting geven aan mezelf. Maar vaker zal ik drijven. Het hout tot vlot verweven en meegaan met de stroom. Zachtjes in de zomer, hard in herfststormen. Dus kom maar op, jij spook. Wie je ook bent. Wat het ook is.

Het komt me toe.

c