Re: Aan mijn zestienjarige zelf

Beste Ine,

Je brief heeft me gevonden. Ik heb hem met zorg gelezen, meermaals. Ik wil je bedanken. En ik denk te voelen wat jij voelt, of voel te denken wat jij denkt. (Sorry, het verschil leren tussen voelen en denken is een complex proces waar ik nu nog niet aan toe ben).

Je wilde me waarschuwen voor wat zou komen. Of beter: geruststellen. Me zeggen dat het moeilijk zou worden, maar dat het uiteindelijk allemaal goed zou komen. En ‘t doet me deugd te weten dat het goed met je gaat, echt. Dat je zelfs dankbaar bent voor wat je doorleefd hebt. Je woorden barsten van vertrouwen. Maar doorheen je vertrouwen, lees ik veel verdriet. Verdriet omdat ik tegen duizend muren zal lopen, en jij daar niets aan kan doen. Omdat ik eindeloos veel energie zal steken in zaken die me niet dienen. Omdat ik amper zestien ben, op een zuchtje van wat de fleur van mijn leven moet zijn, te jong en te naïef om mijn eigen weg te kiezen.

Je zal het niet graag lezen, maar ik ben bang. Ondanks je vertrouwen, ben ik bang. Voor de bijtende frustratie, omdat ik opgesloten zal worden in een lijf waarvan ik zal roepen dat het niet van mij is. Om voor ’t eerst écht te beseffen hoe ver de impact van uiterlijk rijkt. Maar vooral… voor een afkickproces waar ik nog niet aan toe ben: me moeten bevrijden van de verslaving aan bevestiging. Een angst die nog te groot is om nu al overwonnen te worden. En omdat mijn glimlach niet meer voldoende zal zijn om te krijgen wat ik zoek, zal ik mijn grenzen zwaar te buiten gaan. Ik zal me opwerpen als vriendin. Er zijn voor mensen, ook op onmogelijke uren. Hen aanmoedigen in hun ideeën, ten koste van de mijne. Niet omdat ik van hen hou, maar omdat ik wil dat zij van mij houden. Ik zal bemiddelen, plooien, de liefste willen zijn.

Daarnaast zal ik meer schrijven. Het zal een manier zijn om me te tonen terwijl ik fysiek onzichtbaar blijf. Dat zal ik mezelf vertellen. In realiteit zal ik enkel tonen wie ik zou kúnnen zijn. Ik zal iets geestigs schrijven, of iets slims. Niet iets wat ik kwijt wil, maar iets waarvan ik hoop dat een ander het wil lezen. Want zolang ik de zieltjes uit mijn omgeving kan winnen, hoef ik me om het mijne niet al te druk te maken.

Die dingen dus. Exact waar jij me voor wil waarschuwen. Maar ’t is zoals je zegt: alleen ervaring kan me leren wat niet te delen valt. Ik moet erdoor. En dat is prima. Want zie je wat er gebeurd is? Je hebt geschreven. Mij. Niet om leuk te doen, niet om zieltjes te winnen. Om een reden die dieper gaat dan dat, en die we niet hoeven te vatten. En zo heb je een deur geopend. Je bent langs een pad gewandeld waar je nooit eerder liep, vanwege de doorns en de brandnetels. Het prikte. Maar je hebt gezien dat ik hier zat, met zalf voor je wondes. En je weet nu dat je het kan.

’t Is dus aan mij om joú te waarschuwen. Want ook al is het makkelijker en veiliger om binnen te blijven: doe het niet. Niet jij. Jij met je zucht naar gedeelde kwetsbaarheid. Be the change you want to see in the world, Gandhi-gewijs. En op een dag zullen de netels platgetrapt zijn. Op een dag zullen we pijnloos naar elkaar toe kunnen huppelen. Schrijf dus. Schrijf mij. Want ik, hier, nu, een zestienjarig dolend zieltje,

ik wil je lezen.

Tot gauw,
Ine

REill

Advertenties

De Wenduinse leeuw: in de eb van zijn bestaan.

“Ze is op prospectie!” Er staat iemand aan haar bloemenwinkel, met een emmertje schelpjes. Ze is er niet. Haar vijfjarige lijfje vliegt als een bijtje over het strand. Van bloem naar bloem. Wij kunnen niet veel doen, kennen haar prijzen niet. Als poezen liggen we te spinnen, op een handdoek of een stoel. Haar tantes, haar mama, haar oma. Zuinig met bewegingen, gulzig met de zon.

Twintig jaar geleden vloog ik ook over dit strand. Niet als bijtje, maar als leeuw. In een kudde van wel twintig man. We kwamen van Antwerpen en Gent, West-Vlaanderen en Brussel. Wij speelden voetbal op ’t hard zand, om tien uur ’s ochtends. Buskestamp om acht uur ’s avonds. Wij schupten geen winkels, wij bouwden hele dorpen. Wij waren de koningen van de kust. Elk jaar opnieuw.

“Oké, niet erg!” De klanten druipen af. “We komen later wel weer terug.” Maak dat deze poezen wijs. Waar blijft ons bijtje toch? ‘t Wordt tijd dat ze leert wat concurrentie is. Ah, daar komt ze aangevlogen. Wat schelpen armer, wat crêpepapier rijker. En daar is haar volgende klant al. “Hoeveel couteaukes is die bloem?” Hoeveel wàt?! Het bijtje heeft geen weet van andere valuta. “Die is vijf HANDJES.” Handjes, ja. Dat is hier Knokke niet hè seg.

Nee, dat is hier Wenduine. Waar je in ’t donker van het gebouw van het Rode Kruis afspringt. Waar je stiekeme kilo’s snoep koopt, en dan “De Mol” speelt in de duinen. Waar je ruiltocht doet in ’t dorp, als “plaatselijke scouts”. Waar je fikfakt en brult, en om ter meeste wondes hebt. Waar binnen blijven niet bestaat, tenzij om met de lift te spelen. Dat is Wenduine. Dat wás Wenduine. Ons Wenduine.

“Ik denk… dat we voor kokkels moeten gaan.” Oma kijkt op van haar haakpen. “Dat met die handjes, da’s maar niks. Dat is vaak drie kwart zand en één kwart schelpjes. En de couteaukes worden schaars. Maar kókkels…. De vloedlijn ligt er vol van.” We kauwen het idee. Ik luister naar ons ronken. Over koetjes en kalfjes, couteaukes en kokkels. En dan schiet ik plots wakker. Ik kijk naar mijn handen: zo klauwloos als iets. Naar het strand, geregeerd door de bloemetjes en de bijtjes. Dat het zover is kunnen komen. In mijn Wenduine.

Ik zou moeten roepen, ter wederopstanding van de leeuw. Ik zou moeten brullen. Tot de bloemen van hun stokje gaan, de schelpen weer de zee in rennen. Tot de couteaukes in troep terug naar Knokke keren. Tot de bijtjes zich van schrik in hun nectar verslikken. Ja! Ik moet schreeuwen! Het strand is aan de leeuwen, het strand is aan de leeuwen!

Dat zou ik moeten doen.

Maar ach, ik lig niet slecht, getemd op mijn stoel. Tussen mama poes, oma poes en tante poes. Alles heeft zijn tijd, toch? Waar de bij hoogtij viert, trekt de leeuw zich terug. Dus laat ze maar komen, met hun schelpjes en hun handjes en hun vragende blikken. Ik hou mezelf wel koest. Ik zal niet brullen, nee. Hoogstens eens miauwen:

“Voor deze mokkels: vijf kokkels!”

de-eb-van-de-leeuw4

Peren, prei, citroenen & een soulmate

Het is weer zo’n dag. Zo’n dag waarop het leven je geen slechte bedoelingen wijs kan maken. Zo’n dag waarop je de deur uitgaat met een opdringerige glimlach. Zo’n dag waarop je mensen in de ogen durft te kijken. Zo’n dag met kapsones.

Ik loop een winkel in voor wat groenten en fruit en ben snel weer bij de kassa. Veel volk voor me, maar dat maakt niet uit. Vandaag is de tijd van mij. Ik zing in mezelf, maak plannen voor een roze toekomst. Achter mijn rug groeit de rij in een razend tempo verder. Ik kijk naar de kassière, die vermoeid de rij afscant. En dan begint er iets te schuiven in mezelf. Ik bijt op mijn lip, volg haar beweging. En ja: ze drukt. Een bel dreunt de winkel door. Haar kreet voor versterking.

Er is nog niets gebeurd, maar ik voel het al komen. Die ongecontroleerde stress. Een diepe frustratie die als een zwarte bal in mijn maag begint te rollen. Ik denk terug aan die dag met de watermeloen. Ik zie de gieren weer hun slag slaan, genadeloos asociaal. Mijn lach verdwijnt, mijn hoofd tolt. Want ei-ke-ba, hoe kán het toch? Dat wij als volk zo zijn? Zo’n schaamteloze voorkruipers? Waar is dat ooit begonnen? Ach ja, de typische molen van de laffe idealist. Maar vandaag zal ik niet laf zijn. Vandaag zal ik voor ’t eerst mijn mond opendoen. Voor ’t eerst, en dan altijd. Ik ben klaar om voorbij mijn grens te gaan, en nooit meer terug te keren.

Intussen sta ik bijna bij het begin van de rolband. Subtiel kijk ik om. Mijn blik gaat langs de man die achter me staat. Niet het type mens waar ik uit mezelf tegen zou praten. Een simpele arbeider, beslissen mijn kapsones. Weinig mee te delen. Maar zometeen zal het wel moeten. Sneller dan ik wil, want “Ja, u mag ook hier aanschuiven!”. Adrenaline danst door mijn lijf. Mijn buik braakt al bijna woorden uit, ik anticipeer op de eerste die langs me heen zal schieten. Maar in plaats van een lichaam náást mij, voel ik een stem van achter mij.

“Doet u maar ze, juffrouwke.”

Ik bevries. De woorden landen. Verward kijk ik om, dan terug voor me uit. Mijn voeten brengen me naar opzij. Zonder te denken leg ik mijn spullen netjes op de band. Dan zegt mijn mond iets tegen de man. “Raar hè. Dat we het niet altijd zo doen?” Hij lacht warm. “Soms, als ik mensen op straat goeiedag zeg, ben ik bang dat ik daarmee de Award voor Goeie Mens verdien.” Ik begrijp wat hij wil zeggen. “Ja, het is een gekke wereld.” Betere woorden vind ik niet. We wisselen nog wat gedachten uit.

Ik betaal, ben bijna weg. “Allez,” zegt hij, “kan je in je dagboek gaan schrijven dat je vandaag een soulmate hebt ontmoet.” Ik lach diep in zijn ogen, loop dan met opgeheven preistengels de winkel uit. “Op naar een betere wereld!”, roep ik nog. Ik schrik van mezelf.

Op straat zijn arbeiders aan het werk. Ik wens hen goeiedag. Schuldbewust, en dankbaar. Dan huppel ik voort, die gekke wereld in.

afrekening

Aan mijn zestienjarige zelf

brief aan mijn zestienLieve Ine,

De kans dat ik je stoor is groot. Omdat je bij een vriendin rondhangt, of braaf je huiswerk maakt. Omdat je op de fiets zit, of op msn. Omdat je toneel kijkt, of zelf speelt. Omdat je op je kamer naar muziek luistert. Of -en heel waarschijnlijk- : omdat je een gekke, complexe, arbeidsintensieve brief schrijft naar iemand van wie je houdt.

Toch ben ik hier.

Ik wil je waarschuwen. Want hoewel de voortekens al maanden om je aandacht schreeuwen, zal er binnenkort in je gezicht een bom ontploffen. Huiduitslag en een latent gebrek aan energie zullen geen pubertijdskwaaltjes maar symptomen van leverfalen blijken te zijn. Je zal een nieuwe stempel krijgen: auto-immune hepatitis B. Daarbovenop twee voorschriften: cortisone, en platte rust.

Je zal het eerst bijzonder vinden. Dat je iets hebt dat best serieus schijnt. Dat je niet naar school hoeft, voor láng. Dat de zetel in het salon tot jouw bed wordt omgebouwd. Dat er post, cadeautjes en massa’s bezoek voor je komen. Dat je geen énkele aflevering van De Slimste Mens hoeft te missen.

Het zal ook raar doen. De onderdrukte vermoeidheid zal je genadeloos overvallen. Je zal geen stap vooruit kunnen zetten, tenzij met ondersteuning. Je zal voortdurend honger hebben, door je strikte dieet: geen vetten, geen suikers, weinig brood. Tegelijkertijd zal je opblazen. De cortisone zal een ander mens van je maken. Het dartele, slanke meisje zal zich terugtrekken in een vochtophoudend lijf. Maar in de cocon van je thuis is het leven lief. Je zal weinig hebben om je druk over te maken.

Wekenlang zal het zo gaan. Je omgeving bezorgd, jij in zachte vrede. En net op het punt waarop de verveling dreigt te lonken, zal je lijf een tandje bijsteken. Stilaan zal je je klaar voelen voor de wereld buiten de deur. En eind juni zal het zover zijn. Na dik twee maanden thuis en vele dagen trainingswandelingetjes, zal je opnieuw op stap gaan met je vriendinnen. Je zal overdonderd worden door de impressies van de stad, maar je zal er nooit zo van genoten hebben. Je zal je voortbewegen zoals tienermeisjes dat van nature doen: frivool en licht, maar toch met ernst. Overtuigd van het feit dat dít de jaren zijn.

En dan zal zij naast jou komen lopen. Je lieve vriendin. Ze zal iets zeggen wat -onbedoeld- je eerste toekomst zal hypothekeren. “Moet je eens wat wééééten?” zal het klinken, heel verbouwereerd. Met draaiende ogen zal ze eraan toevoegen wat een andere vriendin haar net heeft toevertrouwd. Dat die: “never ever de straat op zou gaan als ze eruit zou zien zoals jij”. Dat ze “het gek vindt dat je je niet scháámt, zo met je bolle hoofd.”

Daar. Op dat moment, tussen de Leien en het museumplein, daar zal jouw bom ontploffen. Je zal subtiel in de ramen van een etalage kijken, en walgen van jezelf. Je zal ineen willen storten, willen verdampen of verbrokkelen. Tot bloedens toe zal je je tranen verbijten. Je zal je je eigen domheid kwalijk nemen. Je illusie dat het allemaal zoals vroeger zou zijn: jij gewoon Ine, diegene die je was.  Je zal hunkeren naar jezelf.

Terug thuis zal je de teugels laten vieren. In je kamer, op je bed. Waar je lieve mama je uren later hysterisch huilend terug zal vinden. Met een onvoorwaardelijke hartstochtelijkheid zal ze je troosten, zoals ze nog eindeloos veel vaker zal doen. Ze zal haar leven parkeren en jouw stuur overnemen. Telkens weer zal ze je dragen, bovenop zichzelf. Maar ook zij zal dingen zeggen die je boos zullen maken. Dat het zo erg niet is, met dat uiterlijk van je. Dat de mensen die ertoe doen, je vrienden zullen blijven. Dat het oké is om je beperkte energie alleen in leuke dingen te steken. En net als de dokter zal ze je blijven zeggen dat het allemaal gauw voorbij zal zijn.

Dat zal het niet.

Het zullen moeilijke jaren zijn. Jaren van weerstand en onmacht. Van onzekerheid en verdriet. Van vermoeidheid en frustratie. Maar het is waar: er zullen altijd mensen zijn die vurig van je houden. Veel zelfs. Meer dan jij zal willen zien. En op een dag zal je het snappen. Dat er niemand is die je klein probeert te houden, behalve dan jij zelf. Dat er niets is wat je voor de voeten wordt gelegd. Dat je zo vrij bent als je zelf wil zijn. Durft zijn. Die dag zal de wereld zijn loper voor je rollen. Daar zal het beginnen.

Ik zou naar je toe willen rennen, om het je nu al te vertellen. Om je de tranen te besparen, en veel verloren tijd. Om te roepen dat het goed is. Het zou vergeefse moeite zijn. Alleen ervaring kan je geven wat niet te delen valt. En maar best.

Daarom blijf ik hier, en kijk ik uit naar je komst. Met open armen zal ik je ontvangen. En dan zal ik je schrijven. Ik zal je schrijven om de kloof te dichten. En jij zal lezen. Zo zullen de jaren tussen ons in met elk woord verdwijnen. Alinea na alinea zullen we groeien en krimpen. Reiken en grijpen. Springen en bukken.

Totdat we samenvallen.

Liefs,

Je grote kleine Ine

Tussen 0 en +2

in-iedere-vrouw

“In iedere vrouw is een meisje gestorven, en in iedere man een jongetje”. Het zijn woorden van Koolhaas, de laatste die ik lees voordat ik mijn oordoppen in doe. Marc, de bovenbuur, is nogal een woeler. Bij de minste beweging kraakt zijn bed, dat pal boven het mijne staat. Ik weet niet veel van hem. Dat hij uit Limburg komt. Dat hij tegen de zeventig moet zijn. Dat hij hartpatiënt is, en een pacemaker heeft. Eén keer heb ik hem gezien, zo’n drie maanden geleden. Sindsdien alleen zijn zoon. Een stuk jonger dan Marc, een stuk ouder dan mij. Ik vraag me af of hij bij zijn vader woont. We kruisen geregeld in de gang. Praten doen we niet.

Voor mijn gevoel ben ik nog niet lang ingedommeld, wanneer ik alweer wakker schrik. Mijn kamer kleurt blauw van sirenes. Ik hoor vaag geroep, vermoed paniek. In een reflex trek ik mijn oordoppen uit. Limburgse flarden -de zoon- klinken tussen de stem van een defibrillator door. “Raak de patiënt niet aan. Schok wordt toegediend.” Mijn hart raast. Ambulanciers rennen tussen 0 en +2, ijlings langs mijn deur. Zonder het te merken ben ik rechtgesprongen. De situatie is kraakhelder. IJsberend probeer ik me rustig te houden. Mijn gedachten schieten weg naar nieuwjaar. Een vriend had mijn geweten aangesproken. Of ik goede voornemens had. Nee. Niet meer dan anders. Hij zou stoppen met roken, had hij beloofd. Oké oké, had ik bij wijze van toegift gezegd. De buren dan. Ik zou socialer zijn, te beginnen bij Marc en zijn zoon. Dichter bij huis kon het niet.

Dat was drie weken geleden. Plots kleven ze aan mijn huid. Plots voelt Marc, ergens ver van de wereld, akelig dichtbij. Plots trekt zijn zoon, snakkend naar leven, mijn lucht weg uit de gang. Hij is verward, ontzet, verloren. Ik wil iets doen, maar ben verlamd. Ik wil iets doen verdomme. Ik hoor hier niet te zijn, voel me een indringer in mijn eigen huis. Maar ik ben hier nu, dus laat me iemand zijn.

Een uur lang stommelt en bibbert de wereld, terwijl Antwerpen zachtjes slaapt. Een uur lang verzin ik mezelf een rol. Dan trekt het blauw de straat uit en barst het huis van leegte. “Ja?” Hij is er nog. De zoon telefoneert vanuit de hal. Ik zet mijn deur op een kier, voel een snijdende kou. “Ze zijn weg. Nee, ik niet. Op de gang. Ik ga hier wachten. Ik ga echt niet alleen terug naar boven nu. Nee, er is hier niemand, wie zou hier moeten zijn dan?” Ik slik. Ik ben er! Ik ben er! Laat mij er zijn!

Nog tien lange minuten ga ik voort met niet bestaan. Het ondraaglijke wachten is dodelijk voor twee. Dan beweeg ik, tegen mijn eigen verwachtingen in. Het is zijn onophoudelijk kreunen wat me de trap af zuigt. Daar staat een jongetje naast de deur, hoofd op zijn borst. “Hey. Kan ik iets doen?” Het ontsnapt me ongemakkelijk. “Nee. Ik heb mijn broerke gebeld. Alleen durf ik niet naar boven nu.”  Ik moet méér, ik heb nog niet genoeg, kan nooit genoeg…. “Je kan ook bij mij wachten? ’t Is zo koud hier…. Of ik kan thee voor je zetten?” Toe dan, kom bij mij binnen. Alsjeblieft, drink een kop thee. Of wacht, wil je dat ik mee naar boven loop?  Ik zal je hand vasthouden. En ik heb een schouder, als je wil huilen. “Nee. Als ik iets nodig heb, kom ik wel kloppen.” Ik druip af, sluit mijn deur. In het midden van mijn kamer staat een heel klein meisje. Ze heeft een pijntje aan haar hart en het is haar eigen schuld. Dikke bult.

Wat had ik dan gedacht? Dat ik ineens de held kon zijn, na weken tussen muren? Ik ril. Voel plots hoe koud ik ben. Ik kruip onder mijn dons, niet van plan te slapen. En daar lig ik, onbewogen. Elk kreuntje van de zoon trekt mij aan mijn oor. Samen wachten we op zijn broerke. Maar dan toch zak ik weg, zink ik in een diepe slaap. Mijn oordoppen liggen naast me, op het boek van Koolhaas. In iedere vrouw is een meisje gestorven, en in iedere man een jongetje.

Breinbreker

Het heeft veel gangen, omdat iedereen ergens doorheen moet. Liften, kamers, bedden. Een cafetaria om wat tijd weg te slikken. Routes om je een richting te geven. Route 11: moeder- en kindcentrum.

Het is een raadsel. Waarom jij hier bent. Een paar weken nieuw maar, een donswit blad nog. Met een lijfje dat nog niet kan praten. Een lijfje waar dokters af en aan mee lopen. Foto’s trekken, bloed nemen, echo’s maken, katheders steken,…. Wij zien vooral dat hoofdje, dat boven je slaapzak uitsteekt. De kuiltjes in je wangen. Je kijkende ogen, fronsende blikken. Je tongetje hongerig uit je mond. We praten zachtjes, zingen terwijl we je voorhoofd strelen. Noemen je liefje, schatje, dikke vriend, kleine man. We wachten tot je de wereld in mag.

Er zijn veel gangen, en nog meer muren. Tussen de kamers, rond de dokters. Die toertjes draaien en cijfertjes rapen. Theorieën plukken in de tuin van de wetenschap. In hun hoofd gaan ze het rijtje af: lever, milt, hart, longen,…. Ze lopen de gangen netjes door, botsen op kruispunten tegen zichzelf aan. Ze hebben geen idee.

Ik heb geen idee. Hoe zij twee het blijven doen. Broer en schoonzus. Vader en moeder. Drie lange weken al: twee handen op één buik. Eén gezwollen buikje. Ze weten het niet, wat jouw lijf van je wil. Maar jouw hoofd kent nog geen raadsels, plukt geen verboden kennisvruchten. Omdat het grootste weten in jouw kleine lijfje huist. Dat zien we. Hoe jij daar kraakvers en brandschoon, alleen maar wezenlijk ligt te zijn. Hoe je te klein bent –of te groot- voor zorgen, angst en twijfel. Hoe je je lijf zijn ding laat doen, je hoofd nog niet tussen jezelf komt te staan.

Dus terwijl dokters tegen muren aanlopen, kunnen wij niet meer dan je je gang laten gaan. Je lieve, wijze gangetje. Nederig ondergaand wat de natuur je oplegt. Het is nog maar de start. Je bereidt jezelf nog voor. Herschikt jezelf. Schrijft je proloog, voordat je het podium op gaat. En wij, wij zitten klaar. Fluisteren je toe van in de coulissen. Noemen je knapperd, lieverd, maatje, held. Want we weten hoe je heet.

Siebe: Schitterende Overwinnaar.

Raadsel