Eieren vóór Pasen

Vroeger, lang nadat ik er de leeftijd voor had, had ik een Game Boy. Color. Én een spelletje: “Chicken Run”. Als leading kip moest ik een spoor van zaadjes droppen, waarmee ik de andere kippen richting uitgang lokte. Pas als elke kip verdwenen was, kon ik er zelf achteraan. Zo kwamen we allemaal samen -level na level- dichter en dichter bij de poort naar de vrijheid. Dwaas spel. Uuuren gespeeld.

Onlangs zat ik thee te drinken met een vriendin, terwijl om ons heen van ontbijtgranen en eitjes werd gesmuld. Ik vertelde haar over een toekomstig project, iets met studiekeuzehulp bij laatstegraadsstudenten. Zij vroeg me of ik ooit van “coretalents” had gehoord, een methode waarbij men uitgaat van wat 100% “jou” is. Dat wat diep in jou zit en je -voor je eigen goed- af en toe naar buiten moet brengen. Jouw eieren.

Eieren. Hmm. Zo heb ik er wel wat. Zo van die dingen die er soms, tegen wil en dank, uit dreigen te floepen. Woordmopjes, om maar iets te noemen. Zo van die dingen waarvan je denkt dat geen kat er iets aan heeft. Niets vernieuwends, niets waar je de wereld beter mee maakt. Wat doe je daar dan mee? Niets. Ah nee. Want Dingen moeten Betekenis hebben. Dus heb ik jaren stilgestaan. Knauwend op Mijn Hogere Doel. Eerst een strategie, dán aanvallen. Eerst mijn ei ontdekken. Dat ei waarmee ik naar buiten kon komen. Dat ene ei dat de moeite van het uitbroeden waard was. Want ik ging ervan uit dat je eieren uit moet broeden. Altijd. Er lang op gaan zitten, er veel aandacht aan schenken. Totdat er een machtig schepsel uit ontstaat. Iets wezenlijk waarmee je de wereld verandert. Dát ei, dat moest ik leggen. Dat ding waarvoor ik geschapen was.

Ik heb lang in mijn hoofd geleefd. Maar terwijl ik mijn hersens zat te breken op dat Ene Grote Ding, barstte mijn buik van de eieren. Ik kon niet anders, ze floepten eruit. Woordmopjes, schrijfsels, reclamewerk,…. Mijn dagen vulden zich gulzig totdat ze overliepen. En dat doen ze nog steeds. Maar ik ben lichter. Mijn buikpijn is weg en mijn hoofd ontploft niet meer. Ik doe maar wat en vind het leuk. En het mafste is: met mijn hoofd op snooze komen mijn dromen dichterbij. De wereld die ik mezelf wens, wordt helderder met elke dag. Mijn doel ontvouwt zich met de uren.

Vroeger, lang voordat ik er de leeftijd voor had, probeerde ik mijn pad te zien. Waar ik toen de weg zocht alvorens stappen te durven zetten, loop ik nu het wilde weg in. Met een spoor van eitjes als graankorrels achter me aan. Wie míj wil hebben, die vindt me zo. Dat merk ik elke dag. Level na level. Op weg naar de laatste poort.

Dus. Zit je met een ei? Leg het. De wereld heeft er nood aan.

’t Is bijna Pasen.

eierenvoorpasen

Advertenties

Een lift… omhoog

“Waar ga je naartoe?”

Het is 10 januari, dinsdagavond. Twee uur geleden nam ik in A’pen de trein. Ik had besloten dat ik naar Wenduine zou gaan, om me daar vier etages boven de zeespiegel te vlijen. Ik wil wat sleutelen aan mijn toekomst en aan zee lukt dat beter. Als ik in de stad een schelp tegen mijn oor hou, hoor ik de zee. Als ik aan zee een schelp tegen mijn oor hou, hoor ik mezelf. Daar klinkt mijn eigen stem nog door. Daar weet ik waar ik heen moet.

“Waar ga je naartoe?”

De kusttram liet lang op zich wachten, dus wandel ik beladen op een verlaten baan. Naast mij is onverwacht een auto gestopt. Achter het stuur zit een kerel, hij opent zijn raam.

 “Waar ga je naartoe?”
“Naar Wenduine.”
“Als je wil kan je mee.”

Hij heet Joeri en gaat zijn ouders bezoeken. Zelf woont hij in Brussel, werkt in de Colruyt. Hij vraagt me wat ík doe, ik zeg hem dat ik schrijf. Even is hij stil. “Dat wil ik ook”, zegt hij. Rapteksten schrijven is al wat hij wil. Via-via kan hij deze week in een studio voor een demo. “Maar als ze het niets vinden, geef ik het op.” Ze. Als ze het niets vinden, geeft hij het op. Dan houdt hij zijn schrijven voorgoed voor bekeken. We zijn er, ik stap uit. “Joeri? Weet jíj waar je naartoe gaat?”, vraag ik met de deur in mijn hand. Niet begrijpend kijkt hij me aan. Ik glimlach, zeg hem wat vaker te luisteren naar de schelpen op het strand. Ik gooi de deur dicht en ga.

Woensdag schippert mijn blik tussen de zee en mijn computer. ‘s Avonds zie ik op Facebook een filmpje verschijnen. Een interview van een mama met haar 3,5-jarige dochter. “Wat vind je het lekkerste? (“Wortels en pompoensoep en ooook… noooog… joeghoert, en pulling en makkamoli.”), “Heb je een liefje?” (Fin!), “Wat deed je toen je klein was?” (“Toen slaapte ik in een klein bedje!”),…. En dan, als laatste: “Wat wil jij aan mama vragen?” De 3,5-jarige denkt na en zegt: “Waar gaan we naartoe?”

Donderdag lees ik dit:

“We kunnen niet ‘van het pad afvallen’. Waar we onze voeten ook zetten, het pad ligt onder onze voeten. Het pad kan draaien of kronkelen, maar uiteindelijk leidt het ons naar boven, want dat zijn het doel en de richting van onze evolutionaire reis.” (Dan Millmann)

Vrijdag pak ik mijn spullen weer in. Buiten heerst Dieter, de storm in het glas water. Maar het strand scheurt in stukken tot de zee ervan huilt. Ik trein terug tot in mijn stad. Op het pleintje voor mijn deur is geen zee te bespeuren. Geen schelp om bij mijn oor te houden. Er groeit wel nog steeds een boom onder mijn raam. Zelfs al rammelt de wind verwoestend aan zijn kruin. Zelfs al trekt de aarde hem sporadisch naar zich toe. In wezen groeit hij voort, de hemel tegemoet. Ik denk aan Millman’s woorden. Ja, ook ik. Ook ik zink wel eens de aarde in. Ook ik neem soms een zijpad waar mijn hart van bloedt. Maar ook ik word groter met elke stap. Waar ik ook naartoe ga.

Ik heb geen schelp meer nodig.

2

(Check ook dit ! )

En nu ga ik

En nu ga ik, mama.

Ik heb mijn rugzak al gepakt. Natuurlijk zit erin wat jij erin zou stoppen, maar ik deed het zelf, goed hè? Met een brooddoos met een koekje voor als alles op is en een doekje voor mijn pootjes als het kleeft. En fruit want dat is goed voor mij, goed van mij he mama. En een trui voor als ik koud ben en een klein beetje papier zodat ik schrijven kan van groetjes daar, ik mis je maar het is wel goed. Goed hè mama? Ben je trots?

Zo, nu ga ik echt.

Ik zal je zeggen hoe het moet: jij zegt dat het tijd is nu. Dat ik al groot en flink. Ons nestje te klein en de wereld zo groot. Dat je me vleugels hebt gegeven, dat het goed is, dat ik moet.  En dat jij blijft. Ik huil dan en jij zalft. Ik klamp me vast jij trekt je los, je zegt dat ik er klaar voor ben. Je zegt: het is echt goed. Misschien een beetje triest, maar goed. Ja, dat zeg je me.

Wat zeg je me? Ik hoor je niet, wat doe je nu mama? Hoor ik dat je van me houdt en je me missen zal, dat je een beetje zus en zo, of ik het wel, dat je niet weet, of het dan wel of niet… Wat kijk je mama? Huil je nu? Je mag niet, nee, niet zeggen dat je van me houdt… Niet nu. Wat doe je nu? Nee, ook niet op een briefje, niet onderin mijn tas verstopt. Wat moet ik daar dan mee? Oh lieve, lieve, mama. Besef je wel hoeveel dat weegt? Begrijp je wel? Dat jij niet in mijn rugzakje, dat ik echt ver moet vliegen? Ik kan jou toch niet dragen, ik kan toch niet bij elke slag jij drukkend op mijn schouder? Jij weet toch dat, jij blijft toch hier, dat zei je toch? Het tijd is voor mij nu? Ons nest te klein en ik al groot? Dat heb je me verteld toch net? Dat van die vleugeltjes, dat ik het kan? Dat heb ik toch gehoord?! Dat jij al lang genoeg voor mij dat jij te lang voor mij! Je moest het me vertellen!

Ik zal het je vertellen! En nee, niet met een kopje thee, gezellig, jij met ons getwee, er heerlijk bij gaan zitten. Ik zal je zeggen hoe het zit. Ik zeg je dat ik ga omdat het moet. Omdat het nest te klein, omdat ik op jouw eieren loop die strakjes zullen breken. En dat jij dan je poten snijdt maar fluistert dat het goed is, omdat het voor jou altijd goed is. Kan jij wel eens bóós zijn, ja?! Kan jij ook eens normáál misschien?! Ik zal je pikken tot je breekt en nog en nog maar nog en nog zal je het pikken. Ik zal je krijsen totdat en spuwen totdat en schudden totdat en slaan totdat…

Dat ik dus nu maar ga, mama. Ik ga dan dus. Dat ik ga. Daag.

en-nu-ga-ik-mama

Brief aan mijn 27-jarige zelf, brief aan El Hierro

Hola mi niña,

Ik schrijf je, al ben ik dichterbij dan je vermoedt. Zelfs op het meest zuid-westelijke punt van Europa, -die plek die lang als het einde van de wereld werd beschouwd- kan je niet aan mij ontsnappen. We zijn twee jaar verder en ik ben hier weer. Op dit wonderlijke eiland. Waar mensen me verwelkomen alsof ik nooit ben weggeweest. Waar ze het fruit voor mij uit de hemel plukken. Waar tijd niet bestaat: er is de zon, de zee, de maan.

November 2014. Je bent afgestudeerd en hebt geen idee meer wat je wil, behalve dan rust voor lichaam en hoofd. Je bent het beu om je te bewegen tussen mensen die je kennen. (Niet kennen. Je dénken te kennen, omdat je al zo lang door hun leven zweeft.) Je wil geen kind meer zijn, geen zus meer zijn, niet de vriendin zoals je ze speelt. Je lief en jij hebben na twee intense jaren, besloten jullie eigen pad weer op te zoeken. Het is de perfecte periode om te doen wat je al zo lang wilt: weggaan. Je nulpunt tegemoet. Voor even niemand zijn. Ultieme vrijheid. En dan van daar opnieuw.

En kijk, daar loop je nu. Zeven maanden lang zullen je dagen zich vullen als met een druppelteller. Je zal veel wandelen, zwemmen, vrienden maken, Spaans leren, uitstapjes doen en vooral: hardnekkig proberen. Proberen om dingen op papier te zetten. Proberen om het leuk te vinden. Proberen om niets of niemand te missen. Voor jou voelt het niet als proberen. Jij doet gewoon. Je zoekt. En je noemt het vrijheid. De vrijheid om eindelijk te doen wat je wil en te zijn wie je bent.

December 2016. We zijn twee jaar verder. Er is zoveel gebeurd. Thuis heb ik beseft hoe graag ik al mijn naasten zie. Ben ik vol energie in honderd projecten gedoken. Heb ik prachtige nieuwe mensen ontmoet. En nu ben ik hier weer. Niet voor zeven maanden, wel voor zeventien dagen. En behalve de zon, is er niets wat ik hier zoek. De dingen komen en stromen. Het enige wat ik nog hardnekkig doe, is wandelen. En met elke stap, glijdt België verder weg en kom jij dichterbij.

We lopen samen naar La Maceta om te zwemmen in de zee. Bij het water zie het helderder dan ooit: jou. De Ine die ik niet meer ben. Mij. De Ine die ik ben. En alles wat ertussen zit. Eigenlijk is het simpel. Ik ben noch de Ine van toen, noch de Ine van nu. Noch het kind, noch het lief, noch de zus. Ik ben niemand van hen allen, en tegelijk ze allemaal. En de mensen rondom mij zien alleen maar wat ik toon. Ze zien de Ine die ik ben. Wie dat is, dat kies ik zelf. Ik heb beseft dat ik mezelf kan kiezen. Elke dag opnieuw. Waar ik ook ben, met wie ik ook ben. Volgens mij is dat mijn vrijheid.

Het is goed om hier te zijn. Nu, en toen. En volgende keer. Want ja, ik kom terug. Ik zal je niet vragen om mee naar huis te komen. Ik zal je blijven bezoeken. En ik ben benieuwd wat ik mezelf zal zeggen. Ons. Benieuwd hoe vrij we zullen zijn.

Geniet, vogeltje.

x Ine

PS: Onthoud dit goed: tijd bestaat niet. Er is de zon, de zee, de maan.

brief-aan-el-hierro