Aan mijn zestienjarige zelf

brief aan mijn zestienLieve Ine,

De kans dat ik je stoor is groot. Omdat je bij een vriendin rondhangt, of braaf je huiswerk maakt. Omdat je op de fiets zit, of op msn. Omdat je toneel kijkt, of zelf speelt. Omdat je op je kamer naar muziek luistert. Of -en heel waarschijnlijk- : omdat je een gekke, complexe, arbeidsintensieve brief schrijft naar iemand van wie je houdt.

Toch ben ik hier.

Ik wil je waarschuwen. Want hoewel de voortekens al maanden om je aandacht schreeuwen, zal er binnenkort in je gezicht een bom ontploffen. Huiduitslag en een latent gebrek aan energie zullen geen pubertijdskwaaltjes maar symptomen van leverfalen blijken te zijn. Je zal een nieuwe stempel krijgen: auto-immune hepatitis B. Daarbovenop twee voorschriften: cortisone, en platte rust.

Je zal het eerst bijzonder vinden. Dat je iets hebt dat best serieus schijnt. Dat je niet naar school hoeft, voor láng. Dat de zetel in het salon tot jouw bed wordt omgebouwd. Dat er post, cadeautjes en massa’s bezoek voor je komen. Dat je geen énkele aflevering van De Slimste Mens hoeft te missen.

Het zal ook raar doen. De onderdrukte vermoeidheid zal je genadeloos overvallen. Je zal geen stap vooruit kunnen zetten, tenzij met ondersteuning. Je zal voortdurend honger hebben, door je strikte dieet: geen vetten, geen suikers, weinig brood. Tegelijkertijd zal je opblazen. De cortisone zal een ander mens van je maken. Het dartele, slanke meisje zal zich terugtrekken in een vochtophoudend lijf. Maar in de cocon van je thuis is het leven lief. Je zal weinig hebben om je druk over te maken.

Wekenlang zal het zo gaan. Je omgeving bezorgd, jij in zachte vrede. En net op het punt waarop de verveling dreigt te lonken, zal je lijf een tandje bijsteken. Stilaan zal je je klaar voelen voor de wereld buiten de deur. En eind juni zal het zover zijn. Na dik twee maanden thuis en vele dagen trainingswandelingetjes, zal je opnieuw op stap gaan met je vriendinnen. Je zal overdonderd worden door de impressies van de stad, maar je zal er nooit zo van genoten hebben. Je zal je voortbewegen zoals tienermeisjes dat van nature doen: frivool en licht, maar toch met ernst. Overtuigd van het feit dat dít de jaren zijn.

En dan zal zij naast jou komen lopen. Je lieve vriendin. Ze zal iets zeggen wat -onbedoeld- je eerste toekomst zal hypothekeren. “Moet je eens wat wééééten?” zal het klinken, heel verbouwereerd. Met draaiende ogen zal ze eraan toevoegen wat een andere vriendin haar net heeft toevertrouwd. Dat die: “never ever de straat op zou gaan als ze eruit zou zien zoals jij”. Dat ze “het gek vindt dat je je niet scháámt, zo met je bolle hoofd.”

Daar. Op dat moment, tussen de Leien en het museumplein, daar zal jouw bom ontploffen. Je zal subtiel in de ramen van een etalage kijken, en walgen van jezelf. Je zal ineen willen storten, willen verdampen of verbrokkelen. Tot bloedens toe zal je je tranen verbijten. Je zal je je eigen domheid kwalijk nemen. Je illusie dat het allemaal zoals vroeger zou zijn: jij gewoon Ine, diegene die je was.  Je zal hunkeren naar jezelf.

Terug thuis zal je de teugels laten vieren. In je kamer, op je bed. Waar je lieve mama je uren later hysterisch huilend terug zal vinden. Met een onvoorwaardelijke hartstochtelijkheid zal ze je troosten, zoals ze nog eindeloos veel vaker zal doen. Ze zal haar leven parkeren en jouw stuur overnemen. Telkens weer zal ze je dragen, bovenop zichzelf. Maar ook zij zal dingen zeggen die je boos zullen maken. Dat het zo erg niet is, met dat uiterlijk van je. Dat de mensen die ertoe doen, je vrienden zullen blijven. Dat het oké is om je beperkte energie alleen in leuke dingen te steken. En net als de dokter zal ze je blijven zeggen dat het allemaal gauw voorbij zal zijn.

Dat zal het niet.

Het zullen moeilijke jaren zijn. Jaren van weerstand en onmacht. Van onzekerheid en verdriet. Van vermoeidheid en frustratie. Maar het is waar: er zullen altijd mensen zijn die vurig van je houden. Veel zelfs. Meer dan jij zal willen zien. En op een dag zal je het snappen. Dat er niemand is die je klein probeert te houden, behalve dan jij zelf. Dat er niets is wat je voor de voeten wordt gelegd. Dat je zo vrij bent als je zelf wil zijn. Durft zijn. Die dag zal de wereld zijn loper voor je rollen. Daar zal het beginnen.

Ik zou naar je toe willen rennen, om het je nu al te vertellen. Om je de tranen te besparen, en veel verloren tijd. Om te roepen dat het goed is. Het zou vergeefse moeite zijn. Alleen ervaring kan je geven wat niet te delen valt. En maar best.

Daarom blijf ik hier, en kijk ik uit naar je komst. Met open armen zal ik je ontvangen. En dan zal ik je schrijven. Ik zal je schrijven om de kloof te dichten. En jij zal lezen. Zo zullen de jaren tussen ons in met elk woord verdwijnen. Alinea na alinea zullen we groeien en krimpen. Reiken en grijpen. Springen en bukken.

Totdat we samenvallen.

Liefs,

Je grote kleine Ine

Advertenties

Tussen 0 en +2

in-iedere-vrouw

“In iedere vrouw is een meisje gestorven, en in iedere man een jongetje”. Het zijn woorden van Koolhaas, de laatste die ik lees voordat ik mijn oordoppen in doe. Marc, de bovenbuur, is nogal een woeler. Bij de minste beweging kraakt zijn bed, dat pal boven het mijne staat. Ik weet niet veel van hem. Dat hij uit Limburg komt. Dat hij tegen de zeventig moet zijn. Dat hij hartpatiënt is, en een pacemaker heeft. Eén keer heb ik hem gezien, zo’n drie maanden geleden. Sindsdien alleen zijn zoon. Een stuk jonger dan Marc, een stuk ouder dan mij. Ik vraag me af of hij bij zijn vader woont. We kruisen geregeld in de gang. Praten doen we niet.

Voor mijn gevoel ben ik nog niet lang ingedommeld, wanneer ik alweer wakker schrik. Mijn kamer kleurt blauw van sirenes. Ik hoor vaag geroep, vermoed paniek. In een reflex trek ik mijn oordoppen uit. Limburgse flarden -de zoon- klinken tussen de stem van een defibrillator door. “Raak de patiënt niet aan. Schok wordt toegediend.” Mijn hart raast. Ambulanciers rennen tussen 0 en +2, ijlings langs mijn deur. Zonder het te merken ben ik rechtgesprongen. De situatie is kraakhelder. IJsberend probeer ik me rustig te houden. Mijn gedachten schieten weg naar nieuwjaar. Een vriend had mijn geweten aangesproken. Of ik goede voornemens had. Nee. Niet meer dan anders. Hij zou stoppen met roken, had hij beloofd. Oké oké, had ik bij wijze van toegift gezegd. De buren dan. Ik zou socialer zijn, te beginnen bij Marc en zijn zoon. Dichter bij huis kon het niet.

Dat was drie weken geleden. Plots kleven ze aan mijn huid. Plots voelt Marc, ergens ver van de wereld, akelig dichtbij. Plots trekt zijn zoon, snakkend naar leven, mijn lucht weg uit de gang. Hij is verward, ontzet, verloren. Ik wil iets doen, maar ben verlamd. Ik wil iets doen verdomme. Ik hoor hier niet te zijn, voel me een indringer in mijn eigen huis. Maar ik ben hier nu, dus laat me iemand zijn.

Een uur lang stommelt en bibbert de wereld, terwijl Antwerpen zachtjes slaapt. Een uur lang verzin ik mezelf een rol. Dan trekt het blauw de straat uit en barst het huis van leegte. “Ja?” Hij is er nog. De zoon telefoneert vanuit de hal. Ik zet mijn deur op een kier, voel een snijdende kou. “Ze zijn weg. Nee, ik niet. Op de gang. Ik ga hier wachten. Ik ga echt niet alleen terug naar boven nu. Nee, er is hier niemand, wie zou hier moeten zijn dan?” Ik slik. Ik ben er! Ik ben er! Laat mij er zijn!

Nog tien lange minuten ga ik voort met niet bestaan. Het ondraaglijke wachten is dodelijk voor twee. Dan beweeg ik, tegen mijn eigen verwachtingen in. Het is zijn onophoudelijk kreunen wat me de trap af zuigt. Daar staat een jongetje naast de deur, hoofd op zijn borst. “Hey. Kan ik iets doen?” Het ontsnapt me ongemakkelijk. “Nee. Ik heb mijn broerke gebeld. Alleen durf ik niet naar boven nu.”  Ik moet méér, ik heb nog niet genoeg, kan nooit genoeg…. “Je kan ook bij mij wachten? ’t Is zo koud hier…. Of ik kan thee voor je zetten?” Toe dan, kom bij mij binnen. Alsjeblieft, drink een kop thee. Of wacht, wil je dat ik mee naar boven loop?  Ik zal je hand vasthouden. En ik heb een schouder, als je wil huilen. “Nee. Als ik iets nodig heb, kom ik wel kloppen.” Ik druip af, sluit mijn deur. In het midden van mijn kamer staat een heel klein meisje. Ze heeft een pijntje aan haar hart en het is haar eigen schuld. Dikke bult.

Wat had ik dan gedacht? Dat ik ineens de held kon zijn, na weken tussen muren? Ik ril. Voel plots hoe koud ik ben. Ik kruip onder mijn dons, niet van plan te slapen. En daar lig ik, onbewogen. Elk kreuntje van de zoon trekt mij aan mijn oor. Samen wachten we op zijn broerke. Maar dan toch zak ik weg, zink ik in een diepe slaap. Mijn oordoppen liggen naast me, op het boek van Koolhaas. In iedere vrouw is een meisje gestorven, en in iedere man een jongetje.

Breinbreker

Het heeft veel gangen, omdat iedereen ergens doorheen moet. Liften, kamers, bedden. Een cafetaria om wat tijd weg te slikken. Routes om je een richting te geven. Route 11: moeder- en kindcentrum.

Het is een raadsel. Waarom jij hier bent. Een paar weken nieuw maar, een donswit blad nog. Met een lijfje dat nog niet kan praten. Een lijfje waar dokters af en aan mee lopen. Foto’s trekken, bloed nemen, echo’s maken, katheders steken,…. Wij zien vooral dat hoofdje, dat boven je slaapzak uitsteekt. De kuiltjes in je wangen. Je kijkende ogen, fronsende blikken. Je tongetje hongerig uit je mond. We praten zachtjes, zingen terwijl we je voorhoofd strelen. Noemen je liefje, schatje, dikke vriend, kleine man. We wachten tot je de wereld in mag.

Er zijn veel gangen, en nog meer muren. Tussen de kamers, rond de dokters. Die toertjes draaien en cijfertjes rapen. Theorieën plukken in de tuin van de wetenschap. In hun hoofd gaan ze het rijtje af: lever, milt, hart, longen,…. Ze lopen de gangen netjes door, botsen op kruispunten tegen zichzelf aan. Ze hebben geen idee.

Ik heb geen idee. Hoe zij twee het blijven doen. Broer en schoonzus. Vader en moeder. Drie lange weken al: twee handen op één buik. Eén gezwollen buikje. Ze weten het niet, wat jouw lijf van je wil. Maar jouw hoofd kent nog geen raadsels, plukt geen verboden kennisvruchten. Omdat het grootste weten in jouw kleine lijfje huist. Dat zien we. Hoe jij daar kraakvers en brandschoon, alleen maar wezenlijk ligt te zijn. Hoe je te klein bent –of te groot- voor zorgen, angst en twijfel. Hoe je je lijf zijn ding laat doen, je hoofd nog niet tussen jezelf komt te staan.

Dus terwijl dokters tegen muren aanlopen, kunnen wij niet meer dan je je gang laten gaan. Je lieve, wijze gangetje. Nederig ondergaand wat de natuur je oplegt. Het is nog maar de start. Je bereidt jezelf nog voor. Herschikt jezelf. Schrijft je proloog, voordat je het podium op gaat. En wij, wij zitten klaar. Fluisteren je toe van in de coulissen. Noemen je knapperd, lieverd, maatje, held. Want we weten hoe je heet.

Siebe: Schitterende Overwinnaar.

Raadsel