Een lift… omhoog

“Waar ga je naartoe?”

Het is 10 januari, dinsdagavond. Twee uur geleden nam ik in A’pen de trein. Ik had besloten dat ik naar Wenduine zou gaan, om me daar vier etages boven de zeespiegel te vlijen. Ik wil wat sleutelen aan mijn toekomst en aan zee lukt dat beter. Als ik in de stad een schelp tegen mijn oor hou, hoor ik de zee. Als ik aan zee een schelp tegen mijn oor hou, hoor ik mezelf. Daar klinkt mijn eigen stem nog door. Daar weet ik waar ik heen moet.

“Waar ga je naartoe?”

De kusttram liet lang op zich wachten, dus wandel ik beladen op een verlaten baan. Naast mij is onverwacht een auto gestopt. Achter het stuur zit een kerel, hij opent zijn raam.

 “Waar ga je naartoe?”
“Naar Wenduine.”
“Als je wil kan je mee.”

Hij heet Joeri en gaat zijn ouders bezoeken. Zelf woont hij in Brussel, werkt in de Colruyt. Hij vraagt me wat ík doe, ik zeg hem dat ik schrijf. Even is hij stil. “Dat wil ik ook”, zegt hij. Rapteksten schrijven is al wat hij wil. Via-via kan hij deze week in een studio voor een demo. “Maar als ze het niets vinden, geef ik het op.” Ze. Als ze het niets vinden, geeft hij het op. Dan houdt hij zijn schrijven voorgoed voor bekeken. We zijn er, ik stap uit. “Joeri? Weet jíj waar je naartoe gaat?”, vraag ik met de deur in mijn hand. Niet begrijpend kijkt hij me aan. Ik glimlach, zeg hem wat vaker te luisteren naar de schelpen op het strand. Ik gooi de deur dicht en ga.

Woensdag schippert mijn blik tussen de zee en mijn computer. ‘s Avonds zie ik op Facebook een filmpje verschijnen. Een interview van een mama met haar 3,5-jarige dochter. “Wat vind je het lekkerste? (“Wortels en pompoensoep en ooook… noooog… joeghoert, en pulling en makkamoli.”), “Heb je een liefje?” (Fin!), “Wat deed je toen je klein was?” (“Toen slaapte ik in een klein bedje!”),…. En dan, als laatste: “Wat wil jij aan mama vragen?” De 3,5-jarige denkt na en zegt: “Waar gaan we naartoe?”

Donderdag lees ik dit:

“We kunnen niet ‘van het pad afvallen’. Waar we onze voeten ook zetten, het pad ligt onder onze voeten. Het pad kan draaien of kronkelen, maar uiteindelijk leidt het ons naar boven, want dat zijn het doel en de richting van onze evolutionaire reis.” (Dan Millmann)

Vrijdag pak ik mijn spullen weer in. Buiten heerst Dieter, de storm in het glas water. Maar het strand scheurt in stukken tot de zee ervan huilt. Ik trein terug tot in mijn stad. Op het pleintje voor mijn deur is geen zee te bespeuren. Geen schelp om bij mijn oor te houden. Er groeit wel nog steeds een boom onder mijn raam. Zelfs al rammelt de wind verwoestend aan zijn kruin. Zelfs al trekt de aarde hem sporadisch naar zich toe. In wezen groeit hij voort, de hemel tegemoet. Ik denk aan Millman’s woorden. Ja, ook ik. Ook ik zink wel eens de aarde in. Ook ik neem soms een zijpad waar mijn hart van bloedt. Maar ook ik word groter met elke stap. Waar ik ook naartoe ga.

Ik heb geen schelp meer nodig.

2

(Check ook dit ! )

Advertenties

Brief aan mijn 27-jarige zelf, brief aan El Hierro

Hola mi niña,

Ik schrijf je, al ben ik dichterbij dan je vermoedt. Zelfs op het meest zuid-westelijke punt van Europa, -die plek die lang als het einde van de wereld werd beschouwd- kan je niet aan mij ontsnappen. We zijn twee jaar verder en ik ben hier weer. Op dit wonderlijke eiland. Waar mensen me verwelkomen alsof ik nooit ben weggeweest. Waar ze het fruit voor mij uit de hemel plukken. Waar tijd niet bestaat: er is de zon, de zee, de maan.

November 2014. Je bent afgestudeerd en hebt geen idee meer wat je wil, behalve dan rust voor lichaam en hoofd. Je bent het beu om je te bewegen tussen mensen die je kennen. (Niet kennen. Je dénken te kennen, omdat je al zo lang door hun leven zweeft.) Je wil geen kind meer zijn, geen zus meer zijn, niet de vriendin zoals je ze speelt. Je lief en jij hebben na twee intense jaren, besloten jullie eigen pad weer op te zoeken. Het is de perfecte periode om te doen wat je al zo lang wilt: weggaan. Je nulpunt tegemoet. Voor even niemand zijn. Ultieme vrijheid. En dan van daar opnieuw.

En kijk, daar loop je nu. Zeven maanden lang zullen je dagen zich vullen als met een druppelteller. Je zal veel wandelen, zwemmen, vrienden maken, Spaans leren, uitstapjes doen en vooral: hardnekkig proberen. Proberen om dingen op papier te zetten. Proberen om het leuk te vinden. Proberen om niets of niemand te missen. Voor jou voelt het niet als proberen. Jij doet gewoon. Je zoekt. En je noemt het vrijheid. De vrijheid om eindelijk te doen wat je wil en te zijn wie je bent.

December 2016. We zijn twee jaar verder. Er is zoveel gebeurd. Thuis heb ik beseft hoe graag ik al mijn naasten zie. Ben ik vol energie in honderd projecten gedoken. Heb ik prachtige nieuwe mensen ontmoet. En nu ben ik hier weer. Niet voor zeven maanden, wel voor zeventien dagen. En behalve de zon, is er niets wat ik hier zoek. De dingen komen en stromen. Het enige wat ik nog hardnekkig doe, is wandelen. En met elke stap, glijdt België verder weg en kom jij dichterbij.

We lopen samen naar La Maceta om te zwemmen in de zee. Bij het water zie het helderder dan ooit: jou. De Ine die ik niet meer ben. Mij. De Ine die ik ben. En alles wat ertussen zit. Eigenlijk is het simpel. Ik ben noch de Ine van toen, noch de Ine van nu. Noch het kind, noch het lief, noch de zus. Ik ben niemand van hen allen, en tegelijk ze allemaal. En de mensen rondom mij zien alleen maar wat ik toon. Ze zien de Ine die ik ben. Wie dat is, dat kies ik zelf. Ik heb beseft dat ik mezelf kan kiezen. Elke dag opnieuw. Waar ik ook ben, met wie ik ook ben. Volgens mij is dat mijn vrijheid.

Het is goed om hier te zijn. Nu, en toen. En volgende keer. Want ja, ik kom terug. Ik zal je niet vragen om mee naar huis te komen. Ik zal je blijven bezoeken. En ik ben benieuwd wat ik mezelf zal zeggen. Ons. Benieuwd hoe vrij we zullen zijn.

Geniet, vogeltje.

x Ine

PS: Onthoud dit goed: tijd bestaat niet. Er is de zon, de zee, de maan.

brief-aan-el-hierro

De Wenduinse leeuw: in de eb van zijn bestaan.

“Ze is op prospectie!” Er staat iemand aan haar bloemenwinkel, met een emmertje schelpjes. Ze is er niet. Haar vijfjarige lijfje vliegt als een bijtje over het strand. Van bloem naar bloem. Wij kunnen niet veel doen, kennen haar prijzen niet. Als poezen liggen we te spinnen, op een handdoek of een stoel. Haar tantes, haar mama, haar oma. Zuinig met bewegingen, gulzig met de zon.

Twintig jaar geleden vloog ik ook over dit strand. Niet als bijtje, maar als leeuw. In een kudde van wel twintig man. We kwamen van Antwerpen en Gent, West-Vlaanderen en Brussel. Wij speelden voetbal op ’t hard zand, om tien uur ’s ochtends. Buskestamp om acht uur ’s avonds. Wij schupten geen winkels, wij bouwden hele dorpen. Wij waren de koningen van de kust. Elk jaar opnieuw.

“Oké, niet erg!” De klanten druipen af. “We komen later wel weer terug.” Maak dat deze poezen wijs. Waar blijft ons bijtje toch? ‘t Wordt tijd dat ze leert wat concurrentie is. Ah, daar komt ze aangevlogen. Wat schelpen armer, wat crêpepapier rijker. En daar is haar volgende klant al. “Hoeveel couteaukes is die bloem?” Hoeveel wàt?! Het bijtje heeft geen weet van andere valuta. “Die is vijf HANDJES.” Handjes, ja. Dat is hier Knokke niet hè seg.

Nee, dat is hier Wenduine. Waar je in ’t donker van het gebouw van het Rode Kruis afspringt. Waar je stiekeme kilo’s snoep koopt, en dan “De Mol” speelt in de duinen. Waar je ruiltocht doet in ’t dorp, als “plaatselijke scouts”. Waar je fikfakt en brult, en om ter meeste wondes hebt. Waar binnen blijven niet bestaat, tenzij om met de lift te spelen. Dat is Wenduine. Dat wás Wenduine. Ons Wenduine.

“Ik denk… dat we voor kokkels moeten gaan.” Oma kijkt op van haar haakpen. “Dat met die handjes, da’s maar niks. Dat is vaak drie kwart zand en één kwart schelpjes. En de couteaukes worden schaars. Maar kókkels…. De vloedlijn ligt er vol van.” We kauwen het idee. Ik luister naar ons ronken. Over koetjes en kalfjes, couteaukes en kokkels. En dan schiet ik plots wakker. Ik kijk naar mijn handen: zo klauwloos als iets. Naar het strand, geregeerd door de bloemetjes en de bijtjes. Dat het zover is kunnen komen. In mijn Wenduine.

Ik zou moeten roepen, ter wederopstanding van de leeuw. Ik zou moeten brullen. Tot de bloemen van hun stokje gaan, de schelpen weer de zee in rennen. Tot de couteaukes in troep terug naar Knokke keren. Tot de bijtjes zich van schrik in hun nectar verslikken. Ja! Ik moet schreeuwen! Het strand is aan de leeuwen, het strand is aan de leeuwen!

Dat zou ik moeten doen.

Maar ach, ik lig niet slecht, getemd op mijn stoel. Tussen mama poes, oma poes en tante poes. Alles heeft zijn tijd, toch? Waar de bij hoogtij viert, trekt de leeuw zich terug. Dus laat ze maar komen, met hun schelpjes en hun handjes en hun vragende blikken. Ik hou mezelf wel koest. Ik zal niet brullen, nee. Hoogstens eens miauwen:

“Voor deze mokkels: vijf kokkels!”

de-eb-van-de-leeuw4